Skip to main content

Full text of "Separatie en Doleantie"

See other formats


Separatie 


EN 


Doleantie 


ItüüU 


D".   A.  "l^UYPER. 


AMSTERDAM 


J.  A.  WOK M SER. 


1890. 


I. 


DE     GEÏNSTITUEERDE     KERK    IX    HAAR    ONTSTAAN,    VOORTBESTAAN 
EN     REFORMATIE. 

Nog  niet  aller  inzicht  in  de  kerkrechtelijke  gevolgen  der 
Doleantie  is  tot  genoegzame  helderheid  gekomen.  Dit  geldt 
zelfs  ten  deele  van  hen,  die  zelven  in  Doleantie  gingen;  en,  naar 
hieruit  valt  af  te  leiden,  in  nog  sterker  mate  van  diegenen, 
die  de  Doleantie  óf  tegen-  óf  er  bui/efistiian. 

Dit  gaf  aanleiding,  dat  ik  herhaaldelijk  wierd  aangezocht, 
om  de  kerkrechtelijke  gevolgen  der  Doleantie  eens  opzettelijk 
in  het  licht  der  Gereformeerde  beginselen  imn  kerkrecht  ie  ^Isl&ïsqxï. 
Niet  mijn  opinie  wierd  gevraagd;  want  gelukkig  liggen  de 
dagen  der  valsche  subjectiviteit,  toen  men  in  alles  op  persoonlijk 
inzicht  dreef,  voorgoed  achter  ons.  Het  zich  „verwonderen  over 
de  personen*  hebben  de  kerken,  Gode  zy  dank,  afgeleerd.  Maar 
raen  had  de  goedheid  te  onderstellen,  dat  ik  misschien  in 
staat  zou  zijn,  de  kerkrechtelijke  beginselen,  die  hier  den 
doorslag  moeten  geven,  uit  het  bloeitijdperk  van  het  Calvinisme 
op  te  sporen,  en  de  gevolgen  aan  te  wijzen,  die  hieruit  voor 
de  beoordeeling  der  jongste  Doleantie  voortvloeien.  Vooral  een 
advies  op  de  voorloopige  Synode  te  Leeuwarden  geïmprovi- 
seerd, en  dat  sommigen  wel  wat  vreemd  in  de  ooren  klonk, 
deed  de  begeerte  naar  een  advies  op  schrift  toenemen;  en  nu 
ik,  eer  de  lessen  aan  de  Vrije  Universiteit  hervat  worden,  nog 
een  paar  vrije  dagen  had,  wilde  ik  daarom  trachten,  aan  dit 
kenbaar  gemaakt  verlangen,  natuurlijk  ook  met  het  oog  op 
de  Separatie,  te  voldoen. 

En  dan  begin  ik  met  de  schijnbaar  onnoozele,  maar  toch 
inderdaad  zoo  uiterst  gewichtige  ojnnerking,  waarmede  Professor 
Gijsbert  Voetius  de  behandeling  zijner  Politica  Ecclesia stica 
heeft  ingeleid,  t.  w.  dat  het  kerkrecht  nooit  over  de  onzichtbare 
kerk    handelt,    maar    altoos    en    uitsluitend    over  de  zichtbare. 


INLEIDING. 


(Vol.  I  }).  1  en  p.  11).  „Nos,  zoo  verklaart  hij,  in  Politica 
Ecclesiastica  non  consideramus  Ecclesiam  secundum  statuni 
niysticum,  sed  secundum  statura  externum  et  secundum  forniani 
collectionis  visibilis'';  d.  w.  z. :  „In  onze  kerkrechtelijke  bespre- 
king beschouwen  wij  de  kerk  niet  vanhaar  geestelijk  verborgene 
zijde,  maar  uitsluitend  in  haar  waarneembare  gedaante  en  in 
haar  vorm  van  zichtbare  saamverf^adering.*  En  om  alle  mis- 
verstand  af  te  snijden,  voegt  hij  er  aanstonds  bij,  dat  hij 
onder  //zichtbare  kerk,"  of  ,/zichtbare  saamvergadering"  hier 
niet  verstaat,  hetgeen,  ook  buiten  verband  in  rechten,  van  het 
Lichaam  van  Christus  soms  te  merken  valt,  maar  uitsluitend : 
,/Societas  fidelium  libere  inita  ad  exercendam  communionem 
sanctorum  seu  ad  communicationem  mutuam  eorum,  quae  ad 
salutem  pertinent;''  wat  zeggen  wil:  //^(?«  vereeniging  van  ge- 
loovigen,  die  vrijelijk  aangegaan  is,  rnet  het  doel  om  de  gemeen- 
schap der  heiligen  ie  oefenen,  en  elkaar  onderling  mede  Ie  deelen, 
wat  ter  zaligheide  strekken  kan"  (pag.  12).  De  zichtbare  kerk,  in 
dezen  zin  opgevat,  noemt  hij  alsnu  de  ecclesia  indituta,w a,t\vij 
gewoonlijk  uitdrukken  door  te  spreken  van  een  geïnstitueerde 
kerk  of  een  kerkelijk  instituut,  en  wat  men  ook  kon  omschrijven 
als  een  in  elkaar  gezette,  een  geordende  kerk,  of  een  kerk  die 
onder  een  bestuur  (d.  i.  kerkeraad)  leeft,  en  leeft  naar  een  overeen- 
gekomen regel.  Hiermee  is  natuurlijk  in  het  minst  het  bestaan  der 
geestelij  k-mystieke  of  onzichtbare  kerk  niet  ontkend,  noch  ook 
beweerd  dat  de  zichtbare  kerk  als  een  apart  iets  naast  de 
onzichtbare  staat.  Integendeel  voor  Voetius,  en  alle  goed 
Gereformeerden,  is  het  de  ëéne  kerk  van  Christus,  die  in 
mystieken  zin  geestelijk  bestaat,  en  door  de  geïnstitueerde  kerken 
een  vorm  in  het  zichtbare  aanneemt;  zoodat  de  geïnstitueerde 
kerk  slechts  in  zooverre  en  voor  zoolang  kerk  is,  als  ze 
metterdaad  de  geestelijke  kerk  tot  openbaring  brengt.  Edoch, 
als  ge  van  kerkrecht  spreekt,  wil  Voetius  zeggen,  hebt  ge 
niet  met  dat  geestelijk  wezen,  als  zoodanig,  maar  uitsluitend  met 
dien  tot  stand  gekomen  kerk  vorm  te  doen.  Wel  zijn  er  ook  rechten 
van  het  Lichaam  van  Christus,  zoo  ge  die  geestelijk  opvat;  rechten 
van  den  Koning  der  kerk  op  grond  van  zijn  zoenverdiensten, 
en  rechten  van  de  leden  des  Lichaams  op  de  hun  toebeschikte 
erfenisse;    maar     <wer     deze    geestelijke    rechten    wordt    in    de 


INLEIDING. 


geloofsleer,  niet  in  de  leer  van  het  kerkrecht  beslist.  Kerk- 
recht handelt  uitsluitend  van  de  rechtsverhoudingen,  die  door 
menschen  voor  den  dienst  der  kerk  in  het  leven  zijn  geroepen. 
Niet  natuurlijk  alsof  in  collegialen  zin  de  regeling  van  deze 
rechtsverhoudingen  van  het  goedvinden  of  de  wil  keur  der 
handelende  personen  zou  afhangen.  Verre  vandaar  zijn  de 
handelende  personen  bij  het  institueeren  van  een  kerk  stren- 
gelijk  getjonden  aan  Gods  Woord,  en  kunnen  ze  hun  bevoegd- 
heid tot  handelen  slechts  aan  een  macht'Kjhuj  van  den  Koning 
der  kerk  ontleenen.  INIaar  overmits  noch  de  uitlegging  van 
Gods  Woord,  noch  de  geestelijke  keur  van  de  verhouding  tus- 
schen  Christus  en  zijn  leden,  onder  het  kerkrecht  thuis  hoort, 
is  Voetius'  hoofdstelling  metterdaad  onbetwistbaar,  dat  het 
kerkrecht  alleen  kan  en  mag  beslissen  over  de  zkhthare  kerk, 
gelijk  die  geïnstitueerd  wordt  of  is.  Ook  dit  laatste:  gelijk 
die  geïnstitueerd  is,  moet  er  bij.  Immers  het  aanzijn  en  be- 
staan van  het  Lichaam  van  Christus  kan  ook  zonder  dat  in 
eenige  stad  of  in  eenig  dorp  wel  merkbaar  zijn,  zoodat  de  kerk 
van  Christus  er  zichtbaar  wierd.  Zoo  b.v.,  als  een  paar  Christe- 
lijke huisgezinnen  naar  een  Turksche  of  Heidensche  stad  ver- 
huizen, en  daar  openlijk  voor  hun  Christelijke  belijdenis  uit- 
komen, ja,  zelfs  aan  hun  mede-inwoners  het  Evangelie  bekend 
maken,  dan  is  er  zeer  zeker  in  die  plaats  iets  van  het  Lichaam 
van  Christus  te  merken,  en  is  dit  dus  zichtbaar  geworden. 
Maar  zoolang  deze  gezinnen  niet  tot  de  stichting  of  oprichting 
van  een  uitwendig  kerkverband  overgaan,  is  er  in  die  plaats 
toch  geen  kerk  f or/// at  ie ;  en,  omdat  er  geen  kerkelijk  instituut 
is,  kan  er  uit  dien  hoofde  ook  van  kerkrecht  nog  geen  sprake 
wezen.  Wil  men  dus  zelf  niet  ter  prooi  worden  aan  eindelooze 
begripsverwarring,  en  er  anderen  niet  in  verwikkelen,  dan  dient 
bij  het  bespreken  van  de  kerkrechtelijke  gevolgen  der  Separatie 
en  Doleantie  aan  al  wat  niet  de  geïnstitueerde  kerk  raakt  het 
zwijgen  opgelegd,  en  met  strenge  begripsbeperking  uitsluitend 
van  de  Ecclesiae,  institulae  gehandeld.  Vooral  bij  elk  debat  over 
dit  vraagstuk  kan  dit  niet  stipt  genoeg  in  het  oo<r  worden  ge- 
houden. Anders  moet  elke  gedachtenwis-seling  haar  doel  missen ; 
eenvoudig  omdat  de  één  dan  gedurig  over  iets  anders  spreekt 
dan  de  ander  ouder  dat  sprekeu   verstaat. 


6  HET    HOÜMSCHE    STELSEL. 

Het  verwijt,  dat  men  op  die  wijs  ongeenielijk  zou  worden, 
schrikkc  daarbij  niemand  af.  F.er  omgekeerd  leidt  het //('^«/^/ï/X'e 
juist  schade,  indien  ge  de  ordinantiën  Gods  niet  eerbie- 
digt, waardoor  ook  op  kerkelijk  terrein  onderscheid  is  gemaakt 
tusschen  de  ziel  der  kerk,  als  we  ons  zoo  mogen  uitdrukken, 
en  haar  lidiaam. 

Maar  bovendien,  ge  kunt  de  door  Voetius  gemaakte  beper- 
king niet  wraken,  zonder  ongemerkt  op  de  lijn  van  Home  te 
komen.  Vergeet  toch  nooit,  dat  in  de  onderscheiding  tusschen 
de  onzichtbare  binnenzijde  en  de  zichtbare  Imitenzijde  der  kerk 
het  principale  stuk  onzer  belijdenis  ligt,  waarmede  onze  vade- 
ren tegen  Rome  zijn  opgetreden. 

Rome  heeft  die  onderscheiding  niet  gemaakt,  en  toen  ze 
gemaakt  wierd,  die  gewraakt.  ILaar  beweren  is  juist  dat  de 
uitwendig-zichtbare  kerk  zelve  het  Lichaam  van  Christus  is, 
en  dat  uit  dien  hoofde  alles  wat  van  het  mystieke  Lichaam 
van  Christus  geldt,  ook  geldt  van  de  kerk  van  Rome.  Van- 
daar dat  in  Romes  kerk  de  //leeken"  evenmin  iets  te  zeggen 
hebben,  als  wij  in  den  dag  der  heerlijkheid  iets  zullen  te 
zeggen  hebben  in  de  hemelsche  kerk.  In  die  hemelsche  kerk  zal 
Christus  onze  Koning  rechtstreeks  alle  ding  zelf  beheerschen, 
en  zal  er  in  ons  geen  andere  lust  zijn  dan  om  te  gehoorzamen 
aan  zijn  bevel.  En  zoo  nu  ook  wil  de  Roomsche  kerk,  dat 
Christus*  stedehouder  op  aarde  rechtstreeks  heel  zijn  kerk  be- 
heerschen zal,  en  dat  de  leden  van  het  lichaam  der  kerk  zijn 
stem  onvoorwaardelijk  volgen  zullen.  Deswege  bepaalt  Rome 
den  kring  harer  kerk  niet  door  de  belijdenis,  maar  door  een 
geestelijk  sacrament,  en  houdt  staande  dat  alle  door  haar^elve  of  door 
anderen  ffedoopfoi  rechtens  onder  de  heerschappij  van  Christus'  ste- 
dehouder vallen.  En  in  verband  hiermee  moet  de  Roomsche  kerk 
dan  ook  op  het  bezit  van  dwingende  macht  bedacht  zijn;  zoodat  de 
Inirgerlijke  Overheid,  indien  het  Roomsche  systema  streng  princi- 
pieel wierd  doorgevoerd,  alle  verzet  van  de  gedoopten  tegen  den  ste- 
dehouder van  Christus  zou  moeten  straffen.  Heel  dit  stelsel  sluit  dan 
ook  volkomen.  Is  het  waar,  dat  de  zichtbare  kerk  zelve  het 
mystieke  Lichaam  van  Christus  is;  en  dat  Christus  op  aarde 
een  stedehouder  heeft,  die  in  zijn  nainn  doet,  wat  hij  zelf  zou 
doen;  dan  is  ell.e  inmenging  van  de  leokcn  in  kerkelijke  zaken 


IIET    GEREFORMEERDE    STELSEL. 


eenvoudi»^  ongerijmd,  en  elk  verzet  tegen  Christus' stedehouder 
sciiending  van  Christus'  eigen  majesteit.  Daarom  moest  de  on- 
feilbaarheid van  den  Paus  dan  ook  wel  als  sluitsteen  in  dit  stelsel 
worden  ingevoegd;  en  verklaart  zich  de  bekoring,  die  dit  Room- 
sche  stelsel  op  veler  geest  uitoefent,  gereedelijk  daaruit,  dat 
het  een  misplaatste  anticipatie  is  op  hetgeen  in  de  hemelsche  kerk 
metterdaad  ten  deele  reeds  nu  bestaat,  en  eens  algemeen  zal  zijn. 

Eerst  door  de  droeve  uitkomst  zijn  dan  ook  in  de  16de  eeuw 
veler   oogen  voor  de  onh()udb;iarheid  van  dit  Koomsche  stelsel 
opengegaan,  en  niet  dan  empirisch  zijn  de  vaderen  uit  dit  tijdperk 
er  toe  gekomen,  om,  tegen  dit  Koomsche  stelsel,  uit  Gods  Woord 
een  ander  stelsel  over  te  plaatsen.  Bij  het  ontwerpen  nu  van  dit 
andere  stelsel  hebben  ze  in  Gods  "Woord  op  twee  onderscheidingen 
gewezen ;  vooreerst  op  het  sterk  in  het  oog  springende  onder- 
scheid tusschen  de  kerk  onder  het  Oude  en  de  kerk  onder  het 
Nieuwe    Verbond;    en  ten  andere  op  hetgeen  omtrent  de  kerk 
als  het   mystieke  Lichaam  van  Christus  werd  geopenbaard,  en 
hetgeen    feitelijk    medegedeeld    werd    omtrent    de  stichting  en 
het    bestuur    der    gestichte    plaatselijke    kerken.    Beide    malen 
rustte  h.  i.  deze  onderscheiding  op  de  door  God  gekozen  manier, 
om  zich  aan  ons  menschen  te  openbaren.  Hun  bleek  dat  deze 
wijze  van  openbaring  niet  altoos  dezelfde  was.  Op  andere  wijze 
openbaarde    God    zijn    wil  onder  Tsraël,  en  op  andere  wijze  in 
Christus  en  zijn  heilige  apostelen.     Maar  nog  grooter  was  het 
onderscheid    tusschen    deze  beide  rechtstreeksche  openbaringen 
en  de  wijze  waarop  God,  na  het  uitsterven   van  het  apostolaat, 
zijn    wil  aan  zijn  kork  te  kennen  gaf.     Na  het  uitsterven  der 
heilige    apostelen    toch    houdt   wat   wij  gemeenlijk  noemen  de 
bijzondere    openbaring  op  ;    geeft  God  zijn  wil  niet  meer  recht- 
sfreeks    te    kennen  ;    en  is  de  kerk  voortaan  gebonden  aan  het 
geschreven  Woord,  verzeld  van  de  leiding  des  Heiligen  Geestes; 
eene  leiding  die  niet  meer  ottmidtJcIlIjk  werkt,  maar  slechts  mid- 
dellijk door  het  denken  en  doen  van  feilljare  menschen.  Ze  be- 
weerden daarom  niet,  dat  het  niet  anders  had  kunnen  zijn.  Op 
zich  zelf  liet  het  zich  zeer  wel  denken,  dat  de  Urim  en  Tumim  nóg 
hun  orakelen  gaven;  dat  er  nóg  profeten  waren  die //goddelijko 
antwoorden*    konden    geven ;     of     dat    er    alle    eeuwen    door 


IIET    GEREFORMEEllDE    STELSEL. 


apostelen  waren  gebleven,  die  onfeilbaar  leeren  en  vermanen 
konden.  En  ware  dit  zoo,  natuurlijk  zouden  we  ons  dan  te 
onderwerpen  hebben.  Maar  ze  hielden  staande,  dat  alzoo  Gods 
bestel  blijkbaar  niel  is;  want  dat  noch  door  den  Christus  noch 
door  de  aposteleu  zulk  een  toestand  ons  is  aangekondigd, 
en  dat  feitelijk  zulke  apostelen  en  profeten  er  niet  zijn.  Matigt 
zich  nu  echter  de  kerk,  hoewel  ze  slechts  feilbaar  en  middellijk  kan 
werken,  toch  het  recht  aan,  om  een  onfeilbare  en  owmiddellyke 
goddelijke  uitspraak  te  geven,  dan  ontstaat  hierdoor  een  on- 
draaglijke geestelijke  tirannie  van  den  eenen  feilbaren  mensch 
over  den  anderen  ;  en  het  is  tegen  deze  geesielijke  iirannie  over 
de  conscienficn  dat  onze  vaderen  in  de  \Q^^  eeuw  hun  stelsel 
van  de  ^Vrijheid  eens  Christenmenschen/'  d.  i.  de  Libertas 
Chrisiiana,  hebben  overgezet.  Niet  om  te  beweren  dat  een 
Christenmensch  vrij  van  God  was.  Integendeel,  aan  het  onfeil- 
baar gezag  van  de  profeten  en  apostelen  bonden  zij  de  con- 
scientiën  zoo  sterk  mogelijk ;  maar  ze  maakten  los  eiken  band, 
waardoor  de  conscientie,  niet  aan  het  toezenUjk  onfeilbaar 
Woord  van  God  gebonden,  maar  in  het  gepretendeerd  onfeilbaar 
gezag  van  een  feilbaar  mensch  verstrikt  lag. 

Hiermee  nu  was  hun  stelsel  van  kerkrecht  vanzelf  gegeven. 
Waren  er  noch  onfeilbare  personen  noch  onfeilbare  ambten, 
dan  kon  Christus  zijn  koninklijke  macht  over  zijn  kerk  niet 
anders  uitoefenen  dan  door  zijn  onvergankelijk  Woord  in  de  Heilige 
Schrift,  en  door  de  leiding  van  zijn  Heiligen  Geest  in  de  mensche- 
lijke  personen;  en  dan  ^«0(?*^  er  wel  onderscheid  gemaakt  tusschen 
hetgeen  onfeilbaar  en  onmiddellijk  door  Christus  gewerkt  wierd 
in  het  geestelijk-m3^stieke  Lichaam,  en  hetgeen /V/Vi^/r/y  en  slechts 
middellijk  tot  stand  kwam  in  de  zichtbare  kerk  op  aarde.  Dan 
was  dat  geestelij  k-mystieke  Lichaam  één  en  ondeelbaar,  zonder 
vlek  en  zonder  rimpel  heilig;  maar  dan  kon  dit  Lichaam  zicht- 
baar in  de  menschelijke  verhoudingen  niet  anders  optreden,  dau 
gedeeld  naar  plaats  en  tijd,  en  behept  met  de  gevolgen  van 
menschelijke  feilbaarheid  en  onheiligheid.  Dit  laatste  voelt  men 
terstond  aan  de  kerkelijke  titclit,  die,  in  het  geestelij  k-heilig 
Lichaam  des  Heeren  uit  den  aard  der  zaak  ondenkbaar,  van  de 
zichtbare  openbaring  der  kerk  onafscheidelijk  is. 


JIET    ONTSTAAN    DER    GEÏNSTITUEERDE    KERK.  9 

Dit  nu  maakte  dat  voor  Voetius,  en  alle  schrijvers  over  Ge- 
reformeerd kerkrecht,  het  uitgangspunt  steeds  in  de  vraag  lag: 
II  Hoe  wordi  eene  plaatselijke  kerk,  in  een  stad  of  dorp,  waar  Chrishis^ 
kerk  zichihaar  begint  te  worden,  geplant  of  geïnstitueerd  ?"  En  dan 
luidt  aller  antwoord  steeds  en  eenpariglijk  :  Door  een  wilsdaad 
van  de  belijders  des  Heeren,  krachtens  door  Christus  hun  ver- 
leende bevoegdheid,  in  gehoorzaamheid  aan  zijn   Woord. 

Let  op  elk  dezer  drie. 

Door  een  wihdaad  der  belijders.  Niet  dus  door  een  kerk  van 
buiten  af;  noch  door  hetgeen  een  classis  doet ;  en  ook  niet 
door  hetgeen  een  van  elders  gezonden  dienaar  des  Woords 
verricht.  Want  wel  is  zulk  een  hulp  en  leiding  gcwenscht;  komt 
ze  in  den  regel  voor ;  en  is  het  plichtmatig,  die  te  gebruiken, 
zoo  ze  te  verkrijgen  is ;  maar  ze  is  op  zichzelf  niet  onmis- 
baar ;  en,  ook  waar  ze  te  stade  komt,  is  en  blijft  ze  bijkomstig, 
en  is  nooit  de  grondslag,  waarop  de  nieuw  te  formeeren  kerk 
rust. 

Die  grondslag  is  en  blijft  in  rechten  eeniglijk  de  vrije  wilsdaad 
der  handelende  personen  uit  die  stad  of  uit  dat  dorp  zelf. 

Dit  echter  zou  zonder  meer  tot  Pelagianisme,  en  diensvolgens 
tot  het  Collegiale  kerkrecht  leiden,  zoo  deze  wilsdaad  niet  nader 
bepaald  wierd.  Daarom  nu  wierd  er  bijgevoegd,  dat  deze  per- 
sonen d;in  alleen  tot  deze  wilsdaad  bekwaam  zijn,  zoo  ze  han- 
delen qualitate  qua,  d.  w.  z.  als  belijders  dés  Heeren,  die  eeniglijk 
aan  die  belijdenis  de  Ijcvoegdheid  ontleenen,  om  in  naam  van 
Koning  Jezus  tot  de  stichting  van  een  kerk,  die  zijns  wezen 
zal,  over  te  gaan. 

En  in  de  derde  plaats  moet  de  ernst  van  deze  bedoeling 
daaruit  blijken,  dat  ze  met  hun  wil  een  daad  volbrengen,  die 
niet  wortelt  in  hun  eigen  goedvinden,  maar  die  geschiedt  uit 
en  in  gehoorzaamheid  aan  het  Woord  van  hun  Koning.  Zoo 
stichten  ze  dan  een  kerk,  niet  omdat  zij  zelven  dit  practisch 
gewenscht  vinden,  maar  omdat  Gods  Woord  dit  aan  de  belijders 
des  Heeren  gelast ;  en  ze  stichten  deze  kerk  niet  op  de  wijs, 
die  knn  het  profijtelij kst  dunkt,  maar  gelijk  de  Heere  dit  in  zijn 
Woord  Ijeveelt. 

Hun  wilsdaad  is  dus  zoo  gebonden  mogelijk  tegenover  den 
Christus    en    laat    van    dien  kant  geen  de  minste  vrijheid  toe; 


10  HET    ONTSTAAN    DER    GEÏNSTITUEEKÜE    KERK. 

niiiar  is  anderzijds  zoo  vrij  mogeUjk  tbii  opzichte  van  derdenen 
van  elkander.  Van  geen  mensch  laten  ze  zich  een  kerk  door  dwang 
opleggen,  en  met  geen  mensch  treden  ze  anders  dan  uit  vrije 
overtuiging  in  kerkelijke  gemeenschap.  God  de  Heere  heeft  ab- 
solutelijk  over  hen  te  gebieden,  en  wee  hunner  zoo  ze  bij  deze 
daad  van  kerkstichting  ook  maar  een  haarbreed  van  zijn  wil 
afwijken.  Daarmee  schonden  ze  zijn  heilig  recht,  en  die  schen- 
ding zou  Hij  wreken.  Maar  als  er  eenig  mensch  opstaat,  die 
kerkelijk  eenig  recht  op  hen  beweert  te  hebben,  dan  kan  zulk 
een,  hij  zij  in  het  ambt  of  buiten  het  ambt,  dit  zijn  recht 
nooit  kerkrechtelijk  op  een  anderen  grondslag  laten  gelden, 
dan  krachtens  deze  hun  eigen  wilskeus.  Al  spreekt  het  dus 
vanzelf,  dat  de  ambten  hun  geestelijke  macht  niet  aan  eenig 
mensch,  maar  alleen  aan  den  Christus  ontleenen,  toch  aarzelt 
Voetius  geen  oogenblik  te  verklaren,  dat  in  rechten  het  ambt 
op  niemand  vat  heeft  dan  die  zich  onder  dit  ambt  gesteld  heeft, 
ja  dat  de  ambtsdragers  hun  rechten  alleen  kunnen  uitoefenen, 
krachtens  opdracht  van  de  vergadering  der  geloovigen.  ') 

Vraagt  men  dan  ook  waar  de  kerkelijke  macht,  of  de poledaa 
ecclesinslica  berust,  dan  zal  een  goed  Gereformeerde  op  kerk- 
rechtelijk terrein  nooit  antwoorden  :  //Bij  de  amhtsdrugerfs" ,  en 
ook  niet:  //bij  Christus"-,  maar  zijn  antwoord  zal  luiden  :  Door 
Christus  is  deze  posfesfas  ecclesiasüca  in  de  vergadering  der  ge- 
loovigen gelegd  en  van  daar  klimt  ze  op.  Voetius  bewijst  dit 
wiskunstig  zeker  door  er  aan  te  herinneren,  dat  een  kerk  denk- 
baar is,  die,  in  een  tijd  van  epidemie  of  oorlog,  op  zeker  oogen- 


*)  Antecessores  ab  Ecclesia  constituti  sunt,  ut  nomine  Ecclesiae  ec- 
clesiasüca curent,  ita  ut  in  illis  Ecclesia  sua  curare  dicenda  sit.  [De 
voorgangers  zijn  door  de  kerk  aangesteld,  opdat  zij  in  naam  der  kerk 
de  kerkelijke  aangelegenheden  zouden  bezorgen,  en  dat  in  dien  zin,  dat 
de  kerk  gezegd  kan  worden,  in  hen,  zelve  haar  eigen  zaken  te  beschikken.] 
(Vol.  I.  p.  28)  En:"  Eist  libertas  tam  in  ortu  quam  in  actu,  ut  libere 
.scil.  in  prima  Ecclesiae  collectione,  aut  in  collectae  continuatione  per 
novorum  membrorum  rcceptionem,  consensum  suum  quisque  declaret  et 
confoederationem  ineat;  non  vero  coiicte.  [Deze  vrijheid  geldt  bij  het 
ontstaiin  niet  alleen,  maar  ook  bij  het  voortbestaan  der  kerk,  zoo 
dat  niet  alleen  bij  het  eerste  stichten  eener  kerk,  maar  ook  bij  de  voort- 
zetting van  een  reeds  gestichte  kerk  door  de  aanneming  van  nieuwe 
leden,  een  iegelijk  zijn  confessie  en  stipulatien  vrijelijk  te  doen  heeft; 
en  nooit  gedwongen.]   (p.  10.) 


HET    ONTSTAAN    DER    GEÏNSTIT.L'EEIIÜE    KERK.  1  l 

blik  van  ui  baar  ambtsdragers  beroofd  werd,  en  die  desniette- 
min geen  oogfiiblik  op  zou  KoiuU'n  eene  kerk  te  zijn,  en  dus 
t)ok  de  kerkelijke  maclit,  die  aan  e<n  kerk  toekomt,  in  zicb 
zou  blijven  dragen  {[).  20).  En  al  is  bet,  wat  bet  andere  punt 
betreft,  volkomen  wa;ir,  dat  alle  macht  over  de  kerk  ?'« 
Chrl-shin,  als  haar  van  God  gezalfden  koning,  berust,  zoo  mag 
toch  nooit  voorbijgezien,  dat  het  kerkrecht  deze  macht  op 
aarde  moet  kunnen  aanwijzen,  en  dat  ze  op  aarde  door  Christus 
in  menschen  moet  zijn  gelegil. 

De  eenig  goede  voorstelling  van  het  ontstaan  of  opkomen  eener 
geïnstitueerde  plaatselijke  kerk  is  alzoo  deze  :  In  een  stad  of  dorp, 
waar  dusver  de  Christus  niet  gekend  was,  worden  eenige  inwoners 
door  aanraking  met  Christt- nen  van  elders  tot  den  Christus  be- 
keerd. Of  dit  slechts  een  uitwendige  bekeering  is,  dan  wel  de 
vrucht  van  een  geestelijk  genadewerk,  is  eene  vraag  die  wel 
hoogst  belangrijk  is,  maar  voor  het  kerkrecht  niets  afdoet ; 
overmits  kerkrechtelijk  nooit  kan  worden  uitgemaakt,  hoe  het 
inwendig  in  iemands  hart  staat.  De  iniimis  non  ludicat  Ecclesia, 
d.  w.  z.  een  kerk  kan  niet  oordeelen  over  de  innerlijke  gesteld- 
heid des  harten.  We  houden  ons  dus  aan  het  uitwendige  feit, 
dat  er  in  zulk  een  stad  of  dorp  mannen  zijn  opgestaan,  die 
betuigen,  dat  ze  zich  aan  Jezus  als  hun  Koning  onderwerpen. 
Hieruit  nu  vloeit  rechtstreeks  voor  deze  personen  de  verplich- 
ting voort,  om  met  elkander  in  overleg  te  treden,  en  om  zulk  een 
forme  van  kerk  in  het  leven  te  roepen,  dat  de  dienst  des 
Woords  en  der  Sacramenten  kunne  worden  opgericht,  de  gemeen- 
schap der  heiligen  geoefend  en  de  onderlinge  tucht  in  werking 
kunne  treden.  Wie  iiiertoe  den  eersten  stap  doet  is  onverschillig; 
maar  is  de  eerste  stap  gedaan,  dan  zijn  zoodanige  personen 
verplicht  bij  hun  kerkstichting  het  advies  en  de  hulpe  in  te 
roepen  van  een  naastbij  gelegen  reeds  bestaande  kerk.  Is  deze  hulp 
niet  te  verkrijgen,  dan  handelen  zij  zinidfr  deze  hulpe.  Kan  ze 
daarentegen  verkregen  \vor<len,  dan  is  het  hun  plicht  hun  eigen 
kerk  zoo  te  formeeren,  dat  ze  van  meet  af  voorbereid  worde 
op  de  saam  werking  met  andere  kerken.  Doch  met  of  zonder 
hulpe,  de  handelende  en  beslissende  personen  blijven  de  nieuwe 
belijders  te  dier  plaatse  ;  door  hun  stem  wordt  de  belijdenis 
aanvaard,     waarop    ze    zirb   vereenigf'n  ;  door  Iiun  .-tem   wordt 


12  HET    ONTSTAAN'    DEll    GEÏNSTITUEERDE    KERK. 

de  ordening  aangenomen,  die  voor  hun  kerk  gelden  zal ;  en 
door  hun  stem  worden  de  mannen  aangewezen,  die  in  het  ambt 
zullen  optreden.  Door  deze  daad  verbinden  deze  personen  zich 
tegenover  elkander  en  tegenover  de  door  hen  verkozen  mannen. 
Want  wel  waren  ze  reeds  verbonden  door  een  geestelijken  on- 
zichtbaren  band  in  Christus  en  door  onderlinge  kennismaking, 
maar  hun  verbintenis  in  kerkelijken  rechte  ontstaat  eerst  door 
hun  saauitreding  en  de  stipulatiën  of  bedingen,  waarop  deze 
saamtreding  tot  kerkformatie  plaats  had.  *) 

Is  nu  eenmaal  op  die  wijs  de  kerk  te  dier  plaatse  gesticht, 
dan  rust  op  deze  kerk  de  verplichting,  om  onverwijld  in  ver- 
binding te  treden  met  de  genabuurde  kerken.  Van  Godswege 
staat  het  niet  in  haar  believen,  dit  te  doen  of  natelaten.  Zij 
moet,  althans  voorzooveel  andere  kerken  zich  hiertoe  leenen  willen. 
Maar  het  verband  in  rechten  tusschen  kerk  en  kerk  ontstaat 
toch  eerst  door  een  wilsdaad  én  van  de  nieuw  geformeerde  én 
van  de  reeds  bestaande  kerken.  Want  wel  bestond  die  band 
organisch  reeds  doordien  beide  kerken  openbaringen  zijn  van 
het  ééne  Lichaam  van  Christus  ;  maar  in  menschelijken  rechte 
komt  deze  band  eerst  uit  en  begint  hij  eerst  rechtsgeldig  te 
werken  van  het  oogenblik  af,  dat  de  nieuw  geformeerde  kerk 
desaangaande  niet  de  andere  zij  overeengekomen.  Op  dit 
in  rechten,  en  wel  in  kerkelijken  rechte,  kan  hierbij  niet  genoeg 
de  nadruk  worden  gelegd ;  want  geestelijk  ligt  alles  vast  in 
Christus,  lid  aan  lid  en  kerk  aan  kerk,  en  is  niemand  vrij  om 
zich  niet  of  wel  te  verbinden ;  maar  in  kerkelijken  rechte 
werkt  deze  band  eerst  doordat  ze  overeenkomen.  Geestelijk 
dus  noch  wilsdaad,  noch  contract,  noch  stipulatiën  ;  maar  in 
kerkelijke  rechten  zonder  wilsdaad,  contract  en  stipulatiën, 
noch  kerkvorui,  noch  kerkbestuur,  noch  kerkenordening,  noch 
kerkverband. 

Deze    oorsprong,    dit  ontstaan  van  een  plaatselijke  kerk  als 


^)  Non  est  ergo  Ecclesia  instituta  visibilis  numerus  aliquis  fidelium  et 
fidom  profitentiuin,  qui  absque  tali  unione  et  communione.  et  quidem 
explicita,  alicubi  commoratur.  [Zeker  zichtbaar  aantal  geloovigen,  dat 
belijdenis  des  goloofs  doet,  maar  zonder  zoodanige,  en  dat  wel  uitdrukke- 
lijke vereeniging  en  verbinding,  ergens  vertoeft,  vormt  daarom  nog 
geen  geïnstitueerde  kerk.]  Voiciifs.   Po}.  Eed.  Vol.  I.  p.  14. 


HET    VOORTBESTAAN    DER    GEÏNSTITUEERDE    KERK.  13 

kerkelijk  instituut  moest  daarom  zoo  breedvoerig  uiteen  worden 
gezet,  omdat  de  regel  voor  hef  ontslaan  van  een  geïnstitueerde 
kerk  uiteraard  geheel  haar  verder  verloop,  ook  l)ij  reformatie 
van  het  instituut,  beheerscht.  De  wortel  beslist  voor  den  groei 
van  den  boom  en  voor  de  wijze,  om,  bij  schade  die  aan  den 
stam  wierd  toegebracht,  den  gezonden  groei  te  herstellen.  Staat 
dus  eenmaal  dit  uitgangspunt  vast,  dan  kost  het  niet  de  minste 
moeite,  om  hieruit  logisch  alle  verdere  conclusiën  af  te  leiden. 


En  dan  is  de  eerste  vraag,  die  bij  het  kerkelijk  instituut 
rijst,  deze  .    Op  welke  wijze  vernieuwt  dit  instituut  zich  in  zijn  leden? 

Ook  op  deze  vraag  is  tweeërlei  antwoord  gegeven,  het  ééne  door 
Rome,  het  andere  door  het  C-alvinisme.  Rome  zegt :  Boor  den 
heiligen  JJoop  als  zoodanig  ;  het  Calvinisme  :  Door  heUjdenis  en 
stipulatiiin,  hetzij  explicite,  hetzij  implicite  in  den  Doop. 
Wel  zijn  beiden  het  er  over  eens,  dat  in  het  bestaande  insti- 
tuut nieuwe  bekeerlingen  uit  de  Heidenen  of  Turken  alleen 
door  of  na  Doop  op  belijdenis  kunnen  worden  aangenomen  ;  maar 
zoodra  er  sprake  is  van  het  zich  vernieuwen  in  het  tweede  ge- 
slacht of  hot  opnemen  van  Christenen  die  van  elders  komen, 
gaan  beider  voorstellingen  geheel  uiteen.  Rome  leert,  dat  men 
niet  gedoopt  wordt  op  onderstelling  van  voorafgaande  weder- 
geboorte, maar  dat  men  wedergeboren  wordt  door  den  Doop, 
en  alzoo  door  den  Doop  lid  der  kerk  van  Christus  en  dus 
ook  van  de  uitwendige  kerk  wordt ;  op  grond  waarvan  Rome 
dan  ook  staande  houdt,  dat  elk  gedoopte  als  zoodanig  ook 
in  vollen  zin  lid  van  de  geïnstitueerde  kerk  is,  en  dat  alzoo  elk 
gedoopte  die  van  elders  komt,  reeds  als  zoodanig  lid  uitmaakt  van 
de  kerk  in  do  plaats  of  wijk  zijner  nieuwe  woning.  Het  (^alvinisme 
daarentegen  ontkent  dit  beweren,  en  stelt  er  tegenover,  wat  de 
van  elders  komenden  betreft,  dat  deze  zich  als  candidaat-leden 
der  geformeerde  kerk  moeten  aatinielden  :  dat  de  geformeerde 
kerk  om  over  hun  toetreding  te  oordeelen  óf  een  eisen 
onderzoek  instelt  óf  oj)  het  getuigenis  van  andere  kerken  ai- 
gaat;  dat  zij  dus  rechtens  bevoegd  is  de  toetreding  te  weigeren  ; 
en  dat,  zoo  ze  deze  toestaat,  de  toetreding  plaats  heeft  op 
de     belijdenis     en    stipulatiön,    die    hetzij     bij    getuigschrift  ot 


14  HET    VOORTBESTAAN    DEK    OEÏNSIITUEERDE    KERK. 

opeulijk  plaats  hebben,  al  naar  de  regelen  die  bij  het  kerk- 
verband zijn  vastgesteld.  ')  Natuurlijk  erkent  ook  de  Calvinist 
wel,  dat  wie  naar  elders  verhuist,  zich  van  Godswege  aan  de 
kerk  te  dier  plaatse  moet  aansluiten  ;  en  evenzoo  dat  de  kerk 
te  dier  plaatse  van  Godswege  gehouden  is,  hem  aan  te  nemen, 
zoo  hij  zuiverlijk  belijdt;  maar  in  kerk elijken  rechte  gesproken 
kan  noch  het  zich  aanmeldend  lid  aan  de  kerk  noch  de 
kerk  aan  het  zich  aanmeldend  lid  geweld  aandoen;  en  hun 
wederzijdsch  verband  in  rechten  ontstaat  alzoo  eerst  door  de 
aan  te  gane   stipulatiën. 

En  ditzelfde  standpunt  nu  neemt  Voetius  en  het  Gerefor- 
meerde kerkrecht  ook  ten  opzichte  van  de  gedoopten  in.  Onze 
kerken  doopen  niet  als  konden  zij  door  den  Doop  iemand  weder- 
baren,  maar  in  de  onderstelling  dat  de  doopeling  vooraf  weder- 
geboren is.  Waar  men  dat  niet  onderstelt,  mag  niet  gedoopt 
worden.  Elke  doopeling,  ook  het  kleinste  kind,  wordt  dus  niet 
gedoopt,  om  hem  daardoor  eerst  in  het  Lichaam  van  Christus 
in  te  lijven,  maar  als  zijnde  een  lidmaat  van  Christus,  d.  w.  z. 
als  zijnde  een  lid  van  zijn  mystiek-geestelijk  Lichaam. 

Hieruit  volgt  intusschen  nog  volstrekt  niet,  dat  hy  daarom 
reeds  door  zijn  Doop  lid  der  geïnstitueerde  kerk  in  den  geioo- 
nen  zin  des  woords  zou  zijn.  Wel  heeft  hij  in  die  geïnstitueerde 
kerk,  zoo  hij  uit  ,/geloovige^'  ouders  geboren  is,  zijne  plaats,  maar 
niet  uit  zijn  eigen  hoofde  en  nog  alleen  uit  hoofde  van  zijne 
ouders.  De  ouders  toch  zijn,  op  grond  van  Gods  Woord,  kerk- 
rechtelijk met  de  overige  geloovigen  overeengekomen,  dat 
hunne  kinderen  in  de  geïnstitueerde  kerk  zouden  mederekenen, 
als  de  zoodanigen  voor  wie  de  kerk  zorge  had  te  dragen ;  maar 
zelfstandige  rechten  uitoefenen  kunnen  de  gedoopten,  als  zooda- 
nig, in  de  geïnstitueerde  kerk  nog  volstrekt  niet.  Ze  zijn,  zoo  als 
Voetius  ze  noemt,  memhra  incompJeta  d.  i.  onvolgroeide  leden  der 
kerk.  Hij,  zoowel  als  alle  goede  schrijvers  over  Gereformeerd 
kerkrecht,  ontkent  dan  ook  ten  stelligste,  dat  ze  virtmliier  reeds 
door  hun  Doop  genoegzaam  ,/beleden"  zouden  hebben, gelijk  Rome 


1)  Ecclesia  cogi  nou  potest,  ut  in  coinuiuuionem  admittat,  quem  iustis 
de  causis  non  admittendum  iudicat.  [Een  kerk  kan  uiet  gedwongen 
worden,  om  in  haar  gemeenschap  op  te  nemen,  iemand  omtrent  wien  ze 
op  goede  gronden  oordeelt  dat  hij  niet  kan  toegelaten.]  (Ib.  Vol.l,p.  i9> 


HET    VOORTBESTAAN    DER    GEÏNSTITUEERDE    KEKK.  15 

dit  uitdrukt.  Neen,  ook  de  gedoopte  kinderen  kunnen  eerst  later 
door  eigen  wilsdaad  tot  belijdenis  en  het  aangaan  van  die  onmis- 
bare stipulatiën  komen,  waardoor  ze  alsdan  eerst  in  vollen  zin,  per- 
soonlijk, als  leden,  der  geïnslihieerde  kerk  optreden  ').  In  rechten 
definitief  verbonden  zijn  ze  door  hun  Doop  nog  niet;  kerkrechtelijk 
verbinden  ze  zich  eerst  persoonlijk  door  het  doen  van  openbare 
belijdenis  en  het  aangaan  van  de  noodige  stipulatiën.  Feitelijk 
vallen  ze  uit  eigen  hoofde  eerst  onder  de  tucht,  als  ze  door 
die  eigen  stipulatiën  zich  aan  die  tucht  onderworpen  hebben  '-). 
Kort  saamgevat  kan  men  dus  zeggen  :  Jhor  wedevf/ehourle-vfev- 
den  ze  ingelijfd  in  het  mystieke  Lichaam  van  Christus;  niet 
in  de  zichtbare  noch  in  de  geïnstitueerde  kerk. /)oor  ^/(?«  7*^/%^» 
Doop  werden  zij  openbaar  niet  in  de  onzichtbare  kerk, 
maar  als  behoorende  tot  de  zichtbare,  algemeene  Christe- 
lijke kerk  op  aarde;  en  eerst  door  helijdenis  en  Hipnlafie 
worden  ze,  als  zijnde  leden  der  onzichtbare  kerk,  en  als  ge- 
doopten,  nu  ook  toegelaten  tot  het  volle  genot  van  de  leden  der 
geïnstitueerde  kerk.  Wel  hebben  de  gedoopten,  kraclitens  hun 
plicht  tot  gehoorzaamheid  aan  hun  ouders,  den  plicht  om  zich 
aan  de  zorge  der  kerk  te  onderwerpen,  en  heeft  de  geïnsti- 
tueerde kerk,  krachtens  de  gemaakte  stipulatiën,  den  plicht  om 
ook  voor  de  gedoopten  te  zorgen ;  maar  zelfverworven  rechien 
heeft  de  gedoopte  als  zoodanig  kerkelijk  niet,  en  de  kerk  heeft 
over  hem  persoonlijk  en  uit  eigen  hoofde  in  rechten  geene  be- 
voegdheid. Dit  gaat  zoover  dat  ons  Doopformulier  dan  ook 
uitdrukkelijk  bepaalt  dat  de  plicht,  om  de  gedoopten  in  de 
Christelijke    leer    te    onderwijzen,    op  de  ouders  en  niet  in  de 

')  No9  statuimus..  non  admitti  implicitam  professionem  ac  confoe- 
derationem  in  Baptismo  tanquam  sufficientem  ad  hoc  ut  quis  Coenae 
Domini  et  completae  communionis  Ecclesiasticae  particeps  sit.  (Wij  zijn 
van  oordeel,  dat  cene  bedekte  belijdenis  en  stipulatie  in  den  Doop 
niet  toereikend  is,  om  iemand  toeganj?  tot  het  Avondmaal  te  verleenen 
of  in  te  lijven  in  de  volle  gemeenschap  der  kerk.)  (p.  30.) 

»)  Op  bl.  30veroordeelt  Voetius de  meening:  „disciplinam  ecclesiasticam 
ctiam  ad  omnes  adultos,  quamvis  a  religionis  professione  et  Ecclesiae 
coramunione  alienos  extendendam  esse,  \ani\uam  ad  menibra  Ecclesiae, 
qnod  scil,  in  infantia  buplizati  cssenl.  [D.  i.de  meening,  al.sot'de  kerkelijke 
tucbfzich  ook  zou  uitstrekken  tot  die  volwassenen,  die  vervreemd  zijn  van 
de  Christelijke  professie  en  het  kerkelijke  leven,  alsof  ze,  enkel  wijl  ze 
in  hun  jt'ugd  gedoopt  zijn.  reeds  daarom  leden  der  kerk  waren.] 


16  HET    VOOKTBESTAAX    DER    GEÏNSTITUEEKDE    KERK. 

eerste  plaats  op  haar  rust.  Nu  kunnen  de  ouders  bij  hun  kerkelyke 
stipulatiën  wel  de  hulp  der  dienaren  hierbij  bedingen,  maar 
de  kerkrechtelijke  band  tusschen  de  gedoopten  en  de  dienaren 
loopt  dan  toch  altoos  ocer  de  ouders,  en  werkt  nooit  rechtstreeks. 
Doopleden,  die  burgerlijk  als  meerderjarig  gelden,  zijn  uit  dien 
hoofde  kerkrechtelijk  onbestaanbaar,  en  kunnen  nooit  een  zelfüan- 
dige  positie  in  de  kerk  als  instituut  erlangen.  Slechts  kunnen  ze, 
als  zijnde  tot  hun  jaren  gekomen,  door  feitelijk  de  autoriteit  van 
den  kerkeraad  te  erkennen,  geacht  worden  zich  als  //kerkelijk  nog 
onmondigen'i  aan  zekere  kerkelijke  voogdij  iQ  hebben  onderworpen. 
Nooit  echter  kan  deze  lijdelijke  houding  iemand  ([&  volle  rechten 
van  de  gemeenschap  geven.  Immers  het  stilzwijgende  is  hier  niet 
voldoende.  De  wilsdaad  moet  opzettelijk  en  openlijk  zijn.  De 
t/implicita  et  tacita  prof essio  et  co)ifoederafio,"  zegt  Yoetïus  terecht, 
hic  non  suffi^cit."  Een  zwijgende  en  bedekte  belijdenis  en  aan- 
sluitiug  is  hier  niet  voldoende  (p.  31). 

Om  dit  duidelijk  te  maken,  merkt  hij  (blz.  20)  op,  dat  //het 
juiste  inzicht  in  deze  quaestie  geheel  beheerscht  wordt  door 
de  juiste  onderscheiding  tusschen  de  ,, voorafgaande  icedergeboorte 
en  de  eerst  later  volgende  daadwerkelijke  bekeering" ;  en  doet 
hij  uitkomen,  hoe  niet  alleen  Rome,  maar  ook  een  vriend  van 
Arminius  in  zijn  Biatribe  de  Disciplina  Ecclesiastica  ten  deze 
de  onschriftuurlijke  voorstelling  bepleit.  Waartegen  hij  dan 
op  blz.  30  en  31  aanvoert,  dat  heel  deze  voorstelling,  als 
kon  de  kerk  iemand,  zonder  meer,  reeds  door  zijn  Doop  kerk- 
rechtelijk binden,  //indruischt  tegen  den  staat  en  de  conditie 
van  het  volk  van  God,"  overmits  iemand  alsdan  ,/Zon«!er 
vrijwillige  en  uitdrukkelijke  belijdenis  van  geloof  en  daad- 
werkelijke bekeering  onder  het  volk  zou  gerekend  worden"; 
en  evenzoo  naardien  //zulk  een  gewelddadige  en  gedwon- 
gene  kerkelijke  gemeenschap  strijdt  met  den  aard  van  het 
geestelijk  rijk  van  den  Christus  en  de  vrijheid  van  de  con- 
scieutie"   ^).  Zoo  noodig  als  het  dus  was,  om  tegenover  de  val- 

^)  Repugnat  statui  ot  conditioni  populi  Dei,  ut  absque  spontauea  et 
exserta  actualis  conversionisef  fidei  suae  proressione.aliquosiii  numerum 
et  ordinem  suum  adscribat.  [Het  strijdt  met  de  staat  en  den  aard  van 
Gods  volk,  dat  het  personen  in  zijn  getal  opneme  en  boeke,  die  nog  niet 
tot  vrijwillige  en  {uitdrukkelijke  belijdenis  van  hun  daadwerkelijke 
bekeering  en  geloof  gekomen  zijn.] 


NAAST    ELKANDER.  17 


vsche  beschonwinf^  van  den  Doop,  als  stond  een  te  doopen  kind 
met  een  lleidensch  kind  gelijk,  uit  ons  Doopformulier  er  aan  te 
herinneren,  dat  de  ,^kinderkens  der  geloovigen"  gedoopt  worden, 
als  „zi)"*'6  lidmaten  van  Christus,"  en  als  zijnde  //erfgenamen 
des  koninkrijks,*  even  noodig  is  het  duidelijk  te  doen  uitkomen, 
dat  eerst  de  genieting  van  het  heilig  Avondmaal  blijk  is  van 
het  volle  lidmaatschap  der  geïnstitueerde  kerk,  en  dat  men 
hiertoe  niet  definitief  door  geboorte  of  door  beschikking  van  zijn 
ouders  geraakt,  maar  alleen  door  vrijwillige  en  uitdrukkelijke 
belijdenis  en  stipulatiën.  Men  lette  er  dan  ook  wel  op,  dat  ons  (ie- 
reformeerd  kerkrecht  onder  ,/geloovigen"  in  engeren  zin  alleen 
dezulken  verstaat,  die  op  deze  belijdenis  en  stipulatiën  zijn  inge- 
gaan en  op  dien  grond  tot  het  heilig  Avondmaal  zijn  toegela- 
ten. Of  iemand  een  vaarachiig  geloovige  is  weet  alleen  de  Ken- 
ner der  harten  en  hij  zelf  door  de  verzekering  des  Heiligen 
Geestes.  Daarover  heeft  de  kerk  dus  kerkrechtelijk  nooit  een 
oordeel.  Spreekt  alzoo  de  kerk  kerkrechtelijk  van  //geloovigen,* 
dan  gaat  ze  uitsluitend  op  nUu-eiulige  kenmerken  af,  en  die 
kenmerken  zijn  voor  haar  de  toetreding  tot  de  kerk  door  be- 
lijdenis en  stipulatiën.  Voetius  zegt  dan  ook  op  blz.  12  dat  naar 
recht  in  de  oude  kerk  alleen  de  deelhebbenden  aan  het  heilig 
Avondmaal  den  titel  van //geloovigen"  droegen ;  zoodat  dan  ook 
deze  alleen,  bij  de  l)ediening  van  den  H.  Doo]),  in  persoon  voor  ium 
kinderen  kunnen  opkomen.  Het  is  toch  de  Doop,  die  bediend 
wordt  aan  de  ,/kleine  kinderkens  der  geloovigen*;  en  van  deze 
geloovigeu  wordt  in  de  tweede  doopvraag  nogmaals  een  bevesti- 
ging van  hun  belijdenis  afgevergd.  De  quacstie  staat  dus  zoo, 
dat  wel  de  kerk  verplicht  is  voor  de  gedoopten  te  zorgen,  en 
dat  wel  de  gedoopten  voor  de  vierschaar  van  hun  geweten 
gehouden  zijn,  in  de  kerk  als  belijders  op  te  treden ;  maar 
dat  nochtans  in  kerkelijkeu  rechte  de  band  tusschen  het  insti- 
tuut en  deze  volwassen  personen  voldingend  eerst  door  belijdenis 
en  stipulatiën  gelegd   wordt. 


Een  tweede  (piaestie  die  zich  voordoet  is  de  vraag :  Of  uien  in 
sledt'n  of  dorpen,  vnar  reeds  een  geïnstitveerde  /:erk  he-slaaf,  een. 
ficeede  gehifiUfueerde  kerh  nnnnf  deze  mag  oprichten.  Op  collegiaal 


18  NAAST    ELKANDEH. 


standpunt  kan  hier  geen  geschil  over  rijzen.  Is  toch  de  meusche- 
lijke  wil,  waaruit  de  wilsdaad  der  kerkforiuatie  voortkomt,  door 
niets  gebonden,  maar  Pelagiaausch  vrij,  dan  is  er  geen  enkele 
reden  denkbaar,  waarom  niet  allerwegen  instituut  naast  instituut 
zou  geplaatst  worden.  Maar  zoo  is  het  op  Gereformeerd  terrein 
niet.  Voor  ons  is  de  wil,  waaruit  de  kerkstichting  geboren  wordt, 
niet  vrij,  maar  gebonden  aan  Gods  Woord;  en  overmits  dit  Woord 
de  gemeenschap  der  heiligen  eischt,  mag  zeker  aantal  nieuwe 
belijders,  die  óf  van  elders  kwamen,  óf  nieuw  bekeerd  werden, 
niet  tot  nieuwe  kerkstichting  overgaan,  zoo  er  in  die  stad  of 
dat  dorp  reeds  een  geïnstitueerde  kerk  bestaat,  maar  zijn  ze 
gehouden  zich  daarbij  aan  te  sluiten.  Niet,  dit  springt  in  het 
oog,  alsof  eenige  uitwendige  macht  hen  daartoe  dwingen  kon, 
noch  ook  alsof  de  geïnstitueerde  kerk  dier  plaats  formeel  eenig 
recht  op  hen  kon  doen  gelden ;  immers  recht  op  hen  kan  die  kerk 
eerst  door  de  stipulatiën  ontvangen;  maar  in  dien  zin,  dat  ze  van 
Godswege  hiertoe  gehouden  zijn,  en  zijn  recht  schenden,  zoo 
ze  anders  handelen.  Hierbij  echter  is  natuurlijk  ondersteld,  dat  de 
geïnstitueerde  kerk  dier  plaats  goed  geïnstitueerd  zij ,  en  niets  in 
haar  stipulatiën  hebbe,  waartegen  de  aankomende  of  nieuw 
bekeerde  in  zijn  conscientie  voor  God  bezwaar  gevoele.  Want  is 
dit  het  geval,  dan  wordt  hij  juist  van  Godswege  in  zijn  con- 
scientie van  die  toetreding  afgehouden. 

Stel  bijvoorbeeld  de  geïnstitueerde  kerk  is  een  Baptistische, 
een  Luthersche,  een  Remonstrantsche  of  een  Anglicaansche,  of 
wel  ze  hebbe,  op  wat  manier  ook,  in  haar  belijdenis,  eeredienst 
of  vorm  van  regeering,  iets  wat  met  de  pertinente  over- 
tuiging van  zulk  een  persoon  of  groep  strijdt,  dan  kan  dit  ver- 
schil voor  hem  zóó  overwegend  worden,  dat  het  institueeren 
van  een  kerk  van  zuiverder  formatie  of  belijdenis,  in  zijn 
conscientie,  juist  door  de  eere  Gods  wordt  geëischt.  Hij  kan  en 
mag  geen  ja  en  amen  zeggen  op  stipulatiën,  die  met  zijn  over- 
tuiging in  strijd  zijn;  en  mag  zich  dus  ook  niet  voegen  bij  een 
kerkfonnatie,  die  uitdrukkelijk  of  stilzwijgend  iets  dergelijks  in 
hare  stipulatiën  eischt  of  onderstelt.  Zoo  beslist  als  onze  vaderen 
deswege  hetCongregationalistisch  stelsel  van  vrije  kerkgroepeering 
afwezen,  even  stellig  erkenden  zij  hun  plicht  en  handhaafden 
zij    hun    recht,    om    in    elke    stad    en  in  elk  dorp,  waar  geen 


DE    UriTUEDIXG.  19 


geïnstitueerde  kerk  bestond,  die  in  belijdenis,  eeredienst  en 
kerkregeering  aan  de  eischen  van  Gods  Woord  voldeed,  tot 
de  stichting  van  zulk  een  betere  kerkformatie  over  te  gaan. 


En  de  derde  ((uaestie  eindelijk  gold  de  vraag,  of  iemand,  die  zich 
door  belijdenis  en  .stipulatie  uit  eigen  hoofde  aan  eene  geïnstitu- 
eerde kerk  in  rechten  verbonden  had,  de  vrijheid  behield  om  c.  q. 
den  band,  die  hem  aan  dit  ins/i/md  verbond,  iveer  los  (e  maken; 
alsook  of  het  kerkelijk  instituut  de  vrijheid  behield,  om  den  band 
met  zulk  een  persoon  te  verbreken,  kort  gezegd  :  de  quaestie 
der  JJissolubilUas,  gelijk  Voetius  het  noemt.  Ook  hierbij  nu 
moet  scherp  onderscheid  gemaakt  tusschen  hetgeen  in  geestelijken 
en  hetgeen  in  kerkrechtelijkea  zin  geldt;  en  dient  in  de  tweede 
plaats  onderscheiden  tusschen  de  velerlei  oorzaken,  die  tot  losma- 
king van  zulk  een  band  nopen.  Vertrekt  iemand  naar  een  andere 
plaats,  dan  is  hij  volkomen  vrij,  om  zijn  band,  die  hem  aan  de 
plaatselijke  kerk  bond,  los  te  maken,  behoudens  zijn  verplichting 
in  geestelijken  zin,  om  dien  elders  weer  aan  te  binden.  Maar  blijft 
hij  wonen  waar  hij  woont,  en  ligt  de  beweegreden  om  met 
zijn  plaatselijke  kerk  te  breken  in  hem  zelven  of  in  die  kerk,^ 
dan  i.s  hij  geestelijk  hiertoe  niet  vrij,  tenzij  hij  in  zijn  conscientie 
wete  dat  de  handhaving  van  Gods  eer  hem  hiertoe  dwingt. 
Verboden  is  dus  alle  breken  met  zijn  kerk  om  persoonlijke 
geschillen,  ter  oorzake  van  tuchtoefening,  of  met  aardsche 
bedoelingen;  en  geoorloofd  kan  breking  slechts  diin  zijn  bijaldien 
óf  hij  zelf  aan  het  geloof  ontzonk,  óf  zijn  kerk  afging  van  den  regel 
van  Gods  Woord;  en  wel  dit  laatste  het  zij  doordat  die  kerk  zich 
feitelijk  deformeerde,  hetzij  doordien  hij  persoonlijk  eerst  later 
tot  het  inzicht  kwam,  hoe  de  kerk,  waaraan  hij  zich  verbonden 
heeft,  in  strijd  met  Gods  Woord  geformeerd  was.  Ook  dan 
echter  mag  hij  tot  die  breuke  slechts  overgaan,  nadat  vooraf 
alle  middelen  zijn  uitgeput,  om  de  geïnstitueerde  kerk,  waar- 
toe hij  behoort,  tot  beter  inzicht  te  brengen  of  met  anderer 
hulp  te  reformeeren. 

Geestelijk  is  de  r^^gel  dus  eenvoudig  deze:  Geen  breuke  tenzij 
Gods  Woord  of  de  oprechtheid  diteischt.  Kcrkrec/itelijk  da.ATen- 
tegen  is  het  recht    tot  verbreking  van  het  aangegane  verband 


20  DE    UIITEEDING. 


in  beginsel  onbetwist.  Iets  wat  bij  onze  Calvinisten  wel  niet 
anders  kon  gesteld  worden,  daar  hun  geheele  optreden  een 
gevolg  was  óf  van  een  reformeeren  van  de  Roomsche  kerk,  óf 
van  een  breking  met  het  Roomsche  instituut.  Op  dien  grond 
verklaarden  onze  Calvinisten  overgang  uit  de  Roomsche,  Luther- 
sche  of  Anglicaansche  kerken  steeds  voor  fjeoorloofd.  Viel  er 
daarentegen  sprake  van  overgang  van  de  eene  Gereformeerde  kerk 
in  de  andere,  met  dien  verstande  dat  deze  beide  in  belijdenis, 
eeredienst  en  kerkregeering  zu.ver  waren,  dan  eischten  ze  toe- 
stemming van  den  kerkeraad  dien  men  verliet  en  gemeen  overleg 
met  den  kerkeraad  der  kerk,  waartoe  men  wilde  overgaan.  Zoo  bij 
voorbeeld  als  men  van  de  Nederduiische  wilde  overgaan  tot  de 
Waalsche  of  Schotsche  kerk.  Maar,  hoe  voorzichtig  men  de  zaak 
ook  overlegde,  nooit  is  in  twijfel  getrokken,  dat  een  Christen 
formeel  vrij  was  om  kerkeUjk  over  zijn,  eigen  peri^oo)i  ie  beschikken;  en 
steeds  is  erkend  dat  geen  kerk  het  recht  had  iemand  tegen  zijn 
wil  kerkrechtelijk  gebonden  te  houden.  Men  mocht  iemand  die 
scheiden  wilde  vermanen,  raden  en  met  de  teederheid  der  li«fde 
dringen,  maar  (hciugcu  kon  men  hem  nooit.  Omdat  het  instituut 
steunde  op  vrijwillige  stipulatiën,  iiioesf  ook  het  recht  tot  ver- 
breking van  den  band  wel  in  beginsel  erkend  worden. 

Omgekeerd  kou  de  geïnstitueerde  kerk  van  haar  zijde  even- 
min gedwongen  worden,  iemand  als  lid  te  behouden,  die  de 
stipulatiën  verbrak  of  door  zijn  schandelijken  wandel  een 
schandvlek  der  kerk  werd.  Ze  bezat  daarom  het  recht  van  den 
ban,  mits  onder  de  bedingen  waaraan  het  uitspreken  van  dien 
ban  door  Gods  Woord  gebonden  was ;  en  hoewel  deze  ban  gees- 
telijk de  gemeenschap  nog  niet  geheel  afsneed,  zoodat  bijvoor- 
beeld het  kind  uit  zulk  een  gebannene  soms  toch  tot  den  Doop 
wierd  toegelaten,  zoo  stond  de  gebannene  nochtans  feitelijk //buiten 
de  legerplaats/'  en  kon  geen  enkel  recht  in  de  gemeenschap  meer 
uitoefenen.  Doch  over  dit  punt  behoeft  niet  uitgeweid.  De  Dissolu- 
biliias  of  ontbindbaarheid  van  den  band  met  de  geïnstitueerde  kerk 
is  in  de  toenmalige  controvers  met  Rome  zoo  principieel  en 
breedvoerig  behandeld,  dat  een  iegelijk,  die  het  goed  recht  van 
onze  Hervormers  tegenover  het  instituut  der  Roomsche  kerk 
erkent,  formeel  althans  een  iegelijks  recht,  om  den  band  met 
zijn  kerk  los  te  maken,  wel  zal  moeten  toegeven.  Slechts  geldt 


KEFORMATIE    OP    ROME's    STANDPUNT.  21 

hierbij  vooral  de  apostolische  vermaning,  //dat  een  iegelijk  iii 
zijn  gemoed  ten  volle  verzekerd  zij",  want  wie  zonder  dat  de 
eere  Gods  of  zijner  ziele  zaligheid  hiertoe  noopt,  breekt  met 
de  kerk,  waarvan  hij  lid  was,  spreekt  hiermee  over  die  kerk  een 
oordeel  uit,  dat  op  hem  zelven  terugslaat,  bijaldien  niet  in  den 
hemel  ontbonden  wordt  wat  hij  ontbindt  op  aarde.  Een  rechte 
kerk  van  Christus  zal  daarom  in  gcesfelijken  zin  deu  band  met 
wie  één  van  haar  leden  was,  niet  dan  in  het  uiterste  geval 
als  geheel  verbroken  beschouwen,  en  steeds  op  nieuwe  be- 
vestiging van  dien  band  bedacht  zijn;  m.iar  kerkrec/ifeiijk 
gesproken  moet  uiteraard  elke  geïnstitueerde  kerk  den  band 
in  rechten  als  niet  meer  bestaande  beschouwen,  zoodra  krach- 
tens een  Iti-eede  wilsdaad  der  losmaking  de  ecrsie  wilsdaad  der 
„verbinding  door  sti])ulatie''  verbroken  is.  Immers  kerkrechtelijk 
gesproken,  vervalt  dan  voor  elke  verbintenis  in  rechten  de 
genoegzame  rechtsl)asis.  De  grondslag  waarop  de  kerkrecli- 
telijke  verl)intenis  aan  het  instituut  rustte,  zonk  er  onder  weg. 


II. 


DK    KEFOIIMAIIK     M  LI'    (U'ZlCUT    TOT    DE    GEINSTITUEEHDE    KEKKEN. 

Is  nu  de,  dusver  gegevene  voorstelling  de  juiste,  dan  ligt 
alzoo  tusschen  het  Iloomsche  en  Gereformeerde  kerkrecht  deze 
vijfledige  tegenstelling:  1"  Voor  Rome  i.s  de  geestelijk  mystieke 
kerk,  de  zichtbaar  wordende  kerk  en  de  geïnstitueerde  kerk 
één  en  hetzelfde;  volgens  het  Gereformeerde  kerkrecht  daaren- 
tegen moet  tusschen  deze  drie  scherp  onderscheiden  worden. 
2ü  Volgens  Rome  wordt  in  de  geïnstitueerde  kerk,  door  het 
anfeilbiiar  orgaan  der  xedes  apoüolica,  of  Apostolische  stoel, 
Christus'  koningschap  rechhlreekx  uitgeoefend;  terwijl  het  Ge- 
reformeerde kerkrecht,  zulk  een  onfeilbaar  orgaan  niet  erken- 
nende, de  geïnstitueerde  kerk  ontstaan  laat  door  de  aan  (ïod.t 
//  oord  gebonden  wilxdaad  der  belijderK.  ',\»  Naar  Romes  voorstel- 
ling wordt  men  lid  der  geïnstitueerde  kerk  door  den  IfeUigen 
JJoop,  en  ont!*t:iat  alzoo  de  urolkukerk"  ;  volgens  het  Gereformeerde 


22  REFORMATIE    OP     UOMe's    STANDPUNT. 

kerkrecht  zijn  de  membra  coinpleta  of  volgroeide  leden,  der 
geïnstitueerde  kerk  niet  de  gedoopten,  maar  alleen  de  belijders 
of  geloovigen,  zoodat  een  //Volkskerk"  is  afgesneden.  4o.  In  het 
Roomsche  stelsel  is  een  gedoopte  reeds  als  zoodanig  onder  de 
macht  der  geïnstitueerde  kerk;  terwijl  in  het  Gereformeerde  kerk- 
recht geen  macht  over  een  mondig  persoon  kan  uitgeoefend, 
dan  op  grond  van  met  hem  zelf  aangegane  sl-ipnlaf/ën;  ten- 
gevolge waarvan  Rome  pretendeert  over  alle  gedoopten  dwin- 
gende macht  te  bezitten,  terwijl  de  Gereformeerde  kerk  de 
//Christelijke  vrijheid,"  d.  i.  de  J/thertas  Christiana,  harer  leden 
eert.  En  5"  oordeelt  Rome,  dat  geen  lid  der  geïnstitueerde  kerk 
ooit  den  band  met  haar  los  kan  maken-,  terwijl  omgekeerd  de 
Gereformeerde  kerk  de  ontbindt  jaar  kei  d  van  dezen  hand,  zoodra 
de  consciëntie  in  het  spel  komt,  staande  houdt. 

Deze  principieele  tegenstelling  nu  leidt  noodzakelijk  tot  ge- 
heel tegenovergestelde  conclüsiën,  zoodra  men  toekomt  aan 
de  Reformatie  van  de  geïnstitueerde  kerken.  Want  wel  geeft 
men  van  Roomsche  zijde,  evengoed  als  onzerzijds,  toe,  dat 
de  kerk  in  een  toestand  kan  geraken,  en  meermalen  geraakt 
is,  die  reformatie  noodzakelijk  maakte,  maar  over  het  doel,  de 
grenzen  en  de  uitvoering  van  zulk  een  reformatie  moest  Rome 
wel  geheel  anders  oordeelen  dan  wij.  Immers  bij  Rome  kon  nooit 
sprake  zijn  van  een  reformatie  der  geïnstitueerde  kerk  als  zoo- 
danig, omdat  dit  instituut  naar  haar  overtuiging  op  onfeilbare 
wijze  geconstrueerd  was.  Er  kon  nooit  sprake  zijn  van  een 
deformatie  in  de  belijdenis,  overmits  deze  belijdenis  door  een 
onfeilbaar  orgaan  des  Heiligen  Geestes  was  vastgesteld.  Er  kon 
nooit  sprake  vallen  van  een  optreden  der  geloovigen,  naardien 
de  clerus  en  niet  de  leeken  voor  de  kerk  verantwoordelijk  waren. 
En  zoo  ook  kon  er  nooit  sprake  komen  van  een  breken  met  het 
instituut  en  het  nieuw  oprichten  van  een  ander  instituut,  dewijl 
elk  breken  met  het  instituut  een  zichzelven  afsnijden  van  het 
lichaam  van  Christus  ware,  en  er  naar  Komes  oordeel  geen 
geïnstitueerde  plaatselijke  kerk  in  elke  stad  of  dorp  was,  maar  de 
ééne  geïnstitueerde  kerk  van  Rome  haar  afdeelingen  bezat  over 
heel  de  wereld.  Daarom  is  het  dan  ook  natuurlijk,  dat  Rome  van 
geene  andere  reformatie  kon  of  wilde  weten,  dan  wat  men  noemde : 
een    reformatie    aan   hoofd  en  leden,  d.  w.  z.  een  reformatie  die 


REFORMATIE    OP    GEREFORMEERD    STANDPUNT.  23 

het  heilige  huis  der  kerk  liet  voor  wat  het  was,  en  alleen  het 
misbruik  of  de  afdwaling  in  de  personen  zocht  te  keer  te  gaan. 
Denkbeelden  .die  daiirom  thans  ook  in  onze  kringen  zoo  uit- 
nemend verstaan  worden,  omdat  de  Protestantsche  pleitbezor- 
gers van  het  Synodaal  genootschap  nu  vier  jaren  lang  niet 
anders  deden,  dan  op  hun  manier  deze  Koomsche  argumenten 
pasklaar  maken  voor  hun  heilig  Synodaal  huis. 

Maar  even  natuurlijk  was  het,  dat  de  belijders  der  Calvinis- 
tische beginselen,  én  in  de  16'ie  én  in  de  1 7''«  én  nu  weer  in 
de  lO^le  eeuw,  omtrent  de  reformatie  der  kerken  geheel  andere 
denkbeelden  koesterden. 

Omdat  de  geïnstitueerde  kerk  voor  hen  niel  samenviel  met 
het  Lichaam  van  Christus,  maar  het  product  was  van  de  vils- 
daad  van  feilbare  vtensrhen,  moesten  ze  wel  de  mogelijkheid 
toegeven,  dat  de  belijdenis,  de  eeredienst  en  de  regeeringsvorm 
van  zulk  een  geïnstitueerde  kerk  ook  in  beginsel  van  Gods 
Woord  kon  zijn  afgeweken;  iets  waaruit  dan  (overmits  Gods 
Woord  altoos  moet  gehoorzaamd)  rechtstreeks  de  plicht  voort- 
vloeide, om  het  instituut  zelf  der  kerk  zoo  te  herscheppen  of 
nieuw  te  bouwen,  dat  het  weer  aan  de  eischen  van  Gods  Woord 
voldeed.  Naardien  ik  actief  hd  der  geïnstitueerde  kerk  ben  gewor- 
den, niet  door  een  Doop,  die  immers  buiten  mijn  weten  omging, 
maar  door  stipulatiën  die  ik  zelf  heb  aangegaan,  ben  ik  volgens 
(lereformeerd  kerkrecht  persoonlijk  verantwoordelijk  voor  mijn 
al  of  niet  '/ijn  en  blijven  in  zulk  een  instituut;  zoodat  ik, 
blijkt  zulk  een  instituut  onvatbaar  voor  reformatie,  gehouden 
ben,  zulk  een  instituut  te  verlaten  en  bedacht  te  zijn  op  de 
formatie  van  een  beter  instituut.  Overmits  het  Gereformeerde 
kerkrecht  in  de  geïnstitueerde  kerk  het  ambt  doet  opkomen  uit 
de  wilskeuze  der  leden,  rust  op  die  leden  de  plicht  om  het 
ambt  te  reformeeren,  zoo  de  deformatie  van  dit  ambt  het  wezen 
der  kerk  ondermijnt.  En  eindelijk,  om  reden  in  het  Gerefor- 
meerde kerkrecht  de  geïnstitueerde  ^erk  plaatselijk  van  aard  is,  en 
een  meerdere  vergadering  in  kerkdijken  rechte  alleen  door  de  wils- 
daad der  plaatselijk  geïnstitueerde  kerken  ontstaat,  mag  een  plaat- 
selijke kerk  de  verantwoordelijkheid  voor  de  reformatie  niet  op 
de  classe  of  synode  schuiven,  maar  moet  ze,  zoo  classe  en 
synode  werkeloos  blijven,  haar  band  met  deze  doorsnijden,  zelve 


24  KEFORMA.TIE    OP    G£REl'"ORM£EttD    STANDPUNT. 

tot  reformatie  overgaan,  en  na  gereformeerd  te  zijn,  nieuw 
kerkverband  met  andere  eveneens  gereformeerde  kerken  zoeken. 
Stellingen,  die  daarom  geen  nader  bewijs  vergen,  omdat  het 
uit  de  historie  der  Reformatie  van  algemeene  bekendheid  is, 
hoe  onze  kerken  krachtens  deze  en  geene  andere  beginselen,  bij 
haar  breuke  met  Rome  gehandeld  hebben. 

Van  de  Reformatie,  die  niet  het  instituut  der  kerk  maar 
haar  leden  en  ambtsdragers  betreft,  zwijgen  we  hierbij  met  opzet. 
Al  staat  toch  ook  o.  i.  deze  geestelijke  reformatie  der  personen 
in  eeuwige  waardij  verre  boven  de  reformatie  van  het  instituut, 
toch  zou  ik  de  verwarring,  die  dit  vlugschrift  bannen  wil, 
juist  bevorderen,  zoo  ik  in  een  onbewaakt  oogenblik  mij  door 
de  aantrekkelijkheid  van  het  onderwerp  naar  deze  geestelijke 
paden  lokken  liet.  Zal  er  orde  in  onze  eigen  overwegingen  en 
besprekingen  met  anderen  komen,  dan  moet  men  voet  bij  stuk 
houden.  Spreekt  men  dus,  gelijk  in  dit  vlugschrift  geschiedt, 
niet  van  het  geestelijk  Lichaam  van  Christus,  en  ook  niet  van 
de  geestelijke  gesteldheid  der  personen,  maar  van  de  geïustilu- 
eeide  kerk  als  zoodanifj,  dan  moet  ook  de  reformatie  hier  uitsluitend 
ter  sprake  komen  in  zooverre  ze  formeel  op  dil  'nislHuat  betrekking 
heeft.  Anders  leidt  men  de  aandacht  slechts  af,  en  maakt  het  water 
te  troebel  om  tot  op  den  bodem  te  kunnen  zien.  Geestelijke 
reformatie  is  alloos  aan  de  orde,  en  moet  het  in  elke  predi- 
catie  zijn.  Heel  de  oefening  der  Christelijke  tucht  bedoelt  niet 
anders.  En  geldt  dit  reeds  in  gewone  dagen,  hoeveel  meer  dan 
niet  in  dagen  van  ougemeene  gisting,  als  heel  het  kerkelijk 
gebouw  op  zijn  grondvesten  schudt.  Daarom  zal  een  reformatie 
van  het  instituut,  die  niet  tevens  in  geestelijke  reformatie  des 
harten  vrucht  draagt,  een  zwaarder  oordeel  over  ambtsdrageis 
en  leden  brengen.  Maar  op  zich  zelve  mag  de  reformatie  van 
het  instituut  nooit  met  deze  geestelijke  reformatie  verward.  Dit 
toch  was  juist  de  fout  der  Montanisten,  Donatisten,  Novatiauen 
en  Labadisten,  die  een  geïnstitueerde  kerk  verwerpen  wilden  om 
de  subjectieve  afdolingen  van  liaar  leden  in  leer  of  wandel ; 
iets  waartegenover  onze  Gereformeerden  steeds  hebben  volge- 
houden, dat  dit  een  aanleggen  was  aan  de  geïnstitueerde  zie/U- 
bare  kerk  van  de  eischen  der  onziclilbare,  en  dat  Gods  Woord 
zulk  een  beoordeeling  van  de  kerk  in  haar  objectief  wezen,  naar 


HET    AMBT    DER    GELOOVIGEN'.  25 


de    geestelijke    gesteldheid    der  subjecten,  onvoorwaardelijk  af- 
sneed en  verbood. 


Blijvende  bij  mijn  onderwerp,  bespreek  ik  dus  uitsluitend  de 
formeele  reformatie  van  de  geïnstitueerde  kerk,  en  laat  de  zoo 
uiterst  gewichtige  geestelijke  reformatie  ditmaal  met  opzet  rusten. 
Juist  daarom  echter  dwingt  een  opmerking  van  Dr.  Bavinck  in 
de  Bazuin  mij,  hier  een  korte  toelichting  in  te  lasschen  over 
het  ambt  der  yeloociyen.  Dr.  Bavinck  opperde  namelijk  bedenking, 
of  het  wel  goed  was  van  zulk  een  qualitatief  ambt  te  spreken. 
Het  maakte  op  hem  den  indruk,  dat  hetgeen  uit  dit  ambt  voort- 
vloeide eenvoudig  een  uitvloeisel  van  's  C/nislens  roeping  als 
zoodanig  was.  En  het  scheen  hem  toe,  dat  een  te  sterk  druk- 
ken op  dit  //ambt  der  geloovigen''  allicht  tot  verzwakking  van 
het  ambt  zou  kunnen  leiden.  Deze  tegenspraak  in  een  recensie 
op  Dr.  \\  agenaars  uitnemend  referaat  deed  mij  daarom  te  meer 
genoegen,  omdat  mij  meermalen  bleek,  hoe  ook  bij  anderen 
soortgelijke  bedenkingen  gerezen  waren,  en  het  zeer  zeker  on- 
geoorloofd zou  zijn,  zulk  een  term  te  blijven  bezigen,  indien 
het  niet  klaar  en  duidelijk  viel  te  maken,  in  welken  zin  de 
term  :  ,/ambt  der  geloovigen"  zij  te  verstaan.  Is  hij  één  met 
de  roeping  van  alle  Christenen,  dan  moet  hij  prijs  gegeven.  Juist 
dit  echter  waag  ik  te  ontkennen,  en  ik  meen  ook  aan  Dr.  Bavinck 
volkomen  duidelijk  te  kunnen  maken  wat  de  eigenaardige  en 
bijzondere  beteekenis  is,  die  aan  deze  uitdrukking  ,/ambt  der 
geloovigen"  moet  worden  gehecht. 

Om  dit  in  te  zien  beginne  men  slechts  met  zich  rekenschap 
te  geven  van  wat  onder  „geloovigen"  te  verstaan  zij.  //Geloo- 
vig/'  in  geestelijken  zin  genomen  is  eensluidend  met //bekeerd". 
Wel  schuilt  in  iemand  de  geloolskiem  of  het  geloofsvermogen 
gemeenlijk  lang  vóór  zijn  bekeering,  maar  toch  eerst  in  en 
met  zijn  bekeering  breekt  het  geloof  in  hem  door  en  treedt 
hij  persoonlijk  als  een  geloovige  op.  Heeft  iemand  zulk  een 
zaligmakend  geloof  niet,  dan  is  hij  nog  een  niet-geloovende  of 
ongeloovige  en  rekent  althans  onder  de  geloovigen  niet  raeê. 
Een  geloovige  in  dezen  zin  genomen  is  dus  niets  dan  een 
„Christen,"    en  wierd  in  den  term   „ambt  der  geloovigen"  het 


26  HET    AMBT    DER    GELOOVIGEN. 

woord  //geloovige"  in  dezen  geestelijken  zin  bedoeld,  dan  ware 
<le  opmerking  van  Dr.  Bavinck  onbetwistbaar  juist,  en  zou  er 
alleen  van  //eens  Christens  roeping"  sprake  kunnen  zijn.  Maar 
<lit  is  het  geval  niet.  Er  is  namelijk  nog  een  geheel  andere 
beteekenis  van  het  woord  „geloovige,"  die  in  hetzelfde  verband 
staat  tot  de  eerst  aangeduide,  als  de  geïnstitueerde  kerk  staat 
tot  het  geestelijk  Lichaam  van  Christus ;  we  bedoelen  de  be- 
teekenis van  het  woord  //geloovigen"  in  kerkrecliieUjken  zin. 
Kerkrechtelijk  nu  geldt  in  vollen  zin  als  //geloovige"  alleen  hij, 
die  door  de  kerk  tot  het  heilig  Avondmaal  is  toegelaten,  en  wel  in 
deze  zijn  bepaalde  rjualiteit.  Hiermee  is  natuurlijk  volstrekt  niet 
uitgesproken,  dat  zulk  een  /^geloovige'''  ook  metterdaad  in  geeste- 
lijken zin  een  geloovige  is.  Dit  han  er  niet  in  liggen,  omdat 
de  kerk  geen  oordeel  over  het  hart  heeft.  Er  ligt  dus  alleen 
in,  dat  zulk  een  persoon  belijdenis  van  zijn  geloof  heeft  gedaan; 
zich  krachtens  deze  belijdenis  nu  ook  uit  eigeji  hoofde  aan 
de  kerk  heeft  aangesloten ;  en  voor  zoover  de  kerk  oordeelen 
kan,  noch  in  zijn  spreken  noch  in  zijn  wandel  aanleiding  geeft 
om  deze  belijdenis  te  verdenken  van  onwaaraclitigheid.  Toch 
blijft  dit  oordeel  der  kerk  altoos  feilbaar,  en  weet  men  dat  er 
altoos  hypocrieten  onder  de  ,/geloovigen"  zullen  zijn;  gevolg 
waarvan  is,  dat  er  in  een  stad  of  dorp  //geestelijk  geloovigen* 
kunnen  zijn,  die  kerkrechtelijk  door  de  kerk  niet  als  ,,geloo- 
vigen"  erkend  worden,  en  omgekeerd  dat  de  kerk  soms  als 
,/geloovigen"  erkennen  zal  personen,  die  geestelijk  ongeloovig 
in  hun  hart  staan.  Hoezeer  het  dan  ook  het  streven  en  de 
toeleg  der  kerk  moet  zijn,  om  deze  twee  beteekenissen  van 
het  woord  //geloovigen"  elkander  te  laten  dekken,  toch  staat 
het  vast,  dat  dit  doel  op  aarde  nooit  geheel  bereikt  wordt  en 
dat  dus  de  fjeestelijke  en  de  kerkrechtelijke  beteekenis  van  het 
woord  //geloovigen*  onderscheiden  blijft. 

Neem  ik  nu  //geloovige^'  in  kerki  echtelijken  zin,  dan  is  alzoo 
een  //geloovige"  zulk  een  belijder  van  Christus,  die  zich  door  be- 
lijdenis en  stipulatiën  met  een  geïnstitueerde  kerk  in  een  vaste 
betrekking  heeft  geplaatst,  en  in  die  kerk  de  volle  rec/ifen  heeft  ver- 
worven en  vrijwillig  alle  plichten  op  zich  genomen.  Hij  is  dus  als 
zoodanig  f/ef/KaliJiceenl,  en  waar  hij  optreedt  om  zijn  rechten  te  hand- 
haven of  te  handelen  naar  wat  hem  is  opgelegd;  treedt  hij  op  en 


IIET    AMBT    DEW    GELOOVIGEN.  27 

handelt  hij  niet  als  broeder  A  of  B,  en  ook  niet  omdat  hij  Christen  is, 
maar  in  die  hepnahlequaliicH,  die  hij  als  actieflid  dezer  geïnstitueerde 
kerk  in  die  kerk  bezit.  Als  morgen  den  dag  een  vroom  Christen 
nit  de  Luthersche  kerk  een  kind  ten  Doop  komt  presenteeren 
in  een  Gereformeerde  kerk,  zal  men  hem  afwijzen ;  en  als  hij 
dan  zegt :  //Gij  doopt  de  kleine  kinderkens  der  geloovigen, 
doop  dan  ook  mijn  kind,  want  ook  ik  jubel  in  geloofsgt^nade," 
dan  zal  men  zulk  een  antwoorden  :  //Wij  beweren  volstrekt  niet 
dat  gij  geen  geestelijk  geloovige  voor  God  zijl;  alleen  maar, 
ge  zijt  ons  als  kerk  niet  als  geloovige  bekend,  en  bezit  dus 
niet  de  qualiteit  van  geloovige  in  onze  geïnstitueerde  kerk." 
Aan  dit  punt  behoeft  dus  geen  woord  meer  gespild,  en  nu  reeds 
blijkt  zonneklaar,  dat  de  roeping  van  een  //geloovige"  in  kerk- 
rechtelij ken  zin  iets  hcpnahh  en  omlijiKla  is  en  in  zooverre  van 
de  roeping  van  een  Christen  in  het  algemeen  is  onderscheiden. 
Blijft  dus  slechts  de  tweede  vraag,  of  namelijk  de  aldus  gequali- 
ficeerde  geloovigen  in  de  geïnstitueerde  kerk  ook  kerkrechtelijk  tot 
amhielijh'  handelingen  geroepen  worden.  Zoo  niet,  dan  kan  er 
sprake  vallen  van  hun  rec/ileii  en  verplichtingen,  maar  niet  van  hun 
amhl.  Nu  wordt  het  ambt  op  kerkelijk  terrein  uiteraard  alleen 
in  de  geïnstitueerde  kerk  openbaar;  want  wel  heeft  het  ambt  zijn 
geestelijken  wortel  in  Christus,  maar  toch  zoolang  er  geen  ge- 
institueerde  kerk  is,  die  een  plaats  voor  het  ambt  schept  en 
personen  voor  het  ambt  aanwijst,  zijn  er  geen  ambtsdragers. 
Dat  kon  wél  zoolang  de  bijzondere  openbaring  aanhield,  en 
eerst  de  profeten,  later  de  apostelen  rechtstreeks  door  den  Heere 
met  hun  ambt  bekleed  wierden,  maar  thans  niet  meer.  Roepingen 
tot  bet  ambt  zonder  de  tusschenkomst  van  een  geïnstitueerde 
kerk  zijn  in  de  tegenwoordige  bedeeling  ondenkbaar  ;  al  te  gader 
droomerijen,  waarin  wel  de  Irvingianen  en  mystieke  sekten  of  per- 
soonlijke geestdrijvers  vervallen,  maar  die  door  alle  Gereformeerde 
kerken  steeds  als  diep  zondige  inbeeldingen  bestraft  zijn.  Is 
er  alzoo  geen  ambtelijke  werkzaamheid  dan  oj)  aanwijzing  van 
de  geïnstitueerde  kerk,  dan  kunnen  ook  de  „geloovigen*  nooit 
tot  een  ambtelijke  daad  geroepen  worden,  tenzij  ze  als  gequa- 
liticeerde  //geloovigen"  optreden,  in  zooverre  ze  leden  eener  geïnsti- 
tueerde kerk  zijn.  ,/Auil)t  der  geloovigen"  is  alzoo  een  Xvr/vrc/z/f- 
Ujke  uitdrukking,  die  beteekent  dat  binnen  de  geïnstitueerde  kerk 


28  HET    AMBT    DEE    GELOOVIGEV. 

op  de  leden  dier  kerk  als  zoodanig  zekere  verplichtingen  rusten, 
die  een  ambtelijk  karakter  dragen.  Droeg  nn  het  woord  //ambt"  in 
de  kerk  van  Christus  dezelfde  beteekenis  als  op  burgerlijk  terrein, 
dan  zou  er  uiteraard  zoomin  van  een  //ambt  der  geloovigen'' 
als  van  een  „ambt  der  dienaren"  sprake  kunnen  zijn.  Immers 
een  inkleveiid  overheidsgezag  bezit  niemand  in  de  kerk  van 
Christus.  Zulk  een  gezag  heeft  Jezus  als  Koning  der  kerk  en 
hij  alleen.  Onze  predikanten,  ouderlingen  en  diakenen  zijn  geen 
stedehoudertjes  van  Christus  in  het  klein.  Ze  zijn  zijne  dienaren 
of  ambteuaren,  van  wie  hij  zich  bedient;  meer  niet.  Ook  als 
er  van  ,/ambt  der  geloovigen''  sprake  valt,  kan  dus  niet  bedoeld 
zijn,  zeker  inklevend  overheidsgezag,  dat  in  de  geloovigen  aan- 
wezig zou  zijn,  maar  alleen  zekere  dienst,  waarvan  Christus 
zich  bedient  om  zijn  kerken  ie  regeeren.  Op  dit  laatste  valt 
de  nadruk.  Amhteiijk  toch  is  nooit  wat  ge  in  uw  eigen  belang 
doet,  of  persoonlijk  aan  de  gemeenschap  waartoe  ge  behoort, 
verschuldigd  zijt,  maar  amUelijk  doelt  altoos  op  de  regeering  der 
kerk.  Is  dus  door  het  Gereformeerde  kerkrecht  aan  de  gequa- 
lificeerde  geloovigen  geeti  aandeel  opgelegd  in  den  regeenngs- 
dienst  der  kerk,  dan  mag  men  ook  niet  van  hun  amhf  spreken  ; 
maar  is  het  onbetwistbaar  dat  ze  in  de  regeering  der  kerk 
wel  ter  dege  medezeggenschap  hebben  en  tot  haudelingeo  het  regi- 
ment betreffende  geroepen  zijn,  dan  is  hun  ajnbt  niet  langer  weg  te 
cijferen.  Een  „geloovige''  handelt  dus  niet  ambtelijk  als  hij 
ter  kerke  komt  of  de  Sacramenten  gebruikt,  of  zijn  broeder 
vermaant,  of  voor  kerk  en  armen  geeft.  Immers  dit  alles  raakt 
het  regiment  der  kerk  niet.  Wordt  hij  daarentegen  opgeroepen, 
om  mede  als  rechter  te  oordeelen  in  zaken  van  tucht;  om  in 
zake  van  aanstelling  der  dienaren  mee  zijn  keuze  uit  te  oefenen  ; 
om  meê  te  beslissen  over  het  verband  waarin  zijn  kerk  met 
andere  kerken  staat;  en  bovenal  om,  bij  wegvalling  van  het 
ambt  door  ziekte  als  anderszins,  het  ambt  opnieuw  op  te  richten, 
dan  handelt  de  „geloovige"  in  zaken,  hel  regiment  der  kerk 
rakende,  en  oefent  in  naam  van  Christus  ambtelijke  daden  uit, 
waarvoor  hij  aan  Christus  zijn  Koning  rechtstreeks  verant- 
woordelijk is. 

De    vergelijking    met  wat  het  volk  in  don  Staat  doen  mag, 
leide    hier    niet    op    een    dwaals[>oor.    Omdat    er    in  den  Staat 


HEI'    AMBT    DER    GELOOVIGEN.  29 

een  Overheidsgezag  bestaat,  staat  tegenover  die  Overheid  een 
Staten-Geueratil  als  een  vertegenwoordiging  van  het  volk  over. 
Maar  zoo  is  het  in  de  kerk  van  Christus  niet.  Er  is  op  aarde 
in  de  geïnstitueerde  kerk  geen  menschelijk  Overheidsgezag. 
Hier  kan  dus  ook  van  zulk  een  tegenstelling  geen  sprake 
zijn;  en  al  wat  de  //geloovigen"  in  zake  van  bent  uur  en  rechl- 
f<:jjrauk  mede  te  beslissen  hebben,  is  alzoo  hunnerzijds  een 
mnbteWjke  handeling.  Voetius  stelt  dit  zeer  helder  in  het  licht 
door  aan  te  toonen,  dat  de  poiestas  ecclesiuislica  juist  op  de 
„geloovigen''  is  gelegd  en  voor  een  aanmerkelijk  deel  door  hen 
zelven  wordt  uitgeoefend.  Kesunieerende  komen  we  dus  tot  deze 
slotsom,  dat  onder  ,/ambt  der  geloovigen"  te  verstaan  zij,  al 
datgene  wat  de  (jecpiali^ceerde  geloovigen  in  een  geïnstitueerde  kerlc 
te  rerrlchten  /lebfjen  als  dragers  van  de  potestas  ecclesiasfica.  En 
hiermede  valt  tevens  de  bedenking,  alsof'  de  speciale  ambten 
hier  ooit  onder  lijden  konden.  Immcis  deze  uitoefening  van 
kerkelijke  macht  door  de  //geloovigen"  is  ten  allen  tijde  ge- 
bonden aan  hef  Woord  van  God,  en  dit  Woord  van  God  verplicht 
hen  om  voor  den  dienst  des  Woords,  van  het  presbyteriaat  en 
het  diaconaat  onverwijld  de  speciale  ambten  in  te  stellen. 

Een  duidelijk  voorbeeld,  dat  ons  vanzelf  op  de  reformatie 
der  kerk  terugbrengt,  kan  deze  zeer  speciale  beteekenis  van  het 
//ambt  der  geloovigen"  nog  nader  in  het  licht  stellen.  Als  er 
namelijk  in  een  Heidensche  of  Turksche  stad,  stel  een  honderd- 
tal huisgezinnen  tot  den  Christus  bekeerd  worden,  dan  rust  zeer 
zeker  terstond  op  deze  Christenen  de  ver])lichting  van  Godswege, 
om  in  de  plaats  hunner  woning  zijn  kerk  te  openbaren,  en  zich 
daartoe  in  een  ecclesia  instituta  te  vereenigen.  Deze  daad  echter 
heelt  niets  met  het  //ambt  der  geloovigen*  uitstaande,  maar 
vloeit  rechtstreeks  en  eeniglijk  uit  hun  roeping  als  C/iristenen  voort. 
Zoodra  echter  deze  vereeniging  tot  stand  is  gekomen,  en  ze  nu  als 
leden  eener  geïnstitueerde  kerk  handelen  gaan,  om  de  ambten 
(»p  te  richten,  een  kerkenordening  te  aanvaarden,  verband  met 
andere  kerken  te  leggen,  enz.,  dan  zijn  al  deze  handelingen 
ijuidilate  qua  geschied,  niet  door  hen  als  ( lirisleneu,  maar  in 
hun  qualiteit  als  „met  macht  bekleede  leden  van  een  geïnsti- 
tueerde kerk,"   d.  i.  in  hun   „ambt"  als  //geloovigen". 


30  TWEE    WEGEN    VAN    IIEFOUMATIE. 

Spreekt  nu  dit  onderscheid  duidelijk  bij  de  oprichting  van 
een  v'ieuio  kerkelijk  instituut,  zoo  moet  uiteraard  ditzelfde 
onderscheid  ook  de  reformatie  van  een  hentaand  instituut  be- 
heerschen.  Twee  gevallen  toch  zijn  hierbij  denkbaar.  Het  ééne 
is,  dat  men  (jecn  middelen  bezit  om  het  bestaande  instituut  naar 
den  eisch  van  Gods  Woord  te  verbeteren ;  er  dus  eenvoudig 
meê  breekt;  en  alsnu  een  nieuw  instituut,  aan  den  eisch  van 
Gods  Woord  beantwoordende,  er  tegenover  plaatst.  Het  andere 
is,  dat  men  deze  middelen  v:el  bezit;  ze  aanwendt;  en  alzoo 
hetzelfde  instituut  in  beteren  vorm  bestendigt.  In  het  eerste 
geval  nu  heeft  men  niet  krachtens  het  //ambt  der  geloovigen" 
gehandeld  overmits  men  tot  oprichting  van  een  nieuw  instituut 
overging;  in  het  tweede  wel.  Een  punt  van  gewicht,  vooral  met 
het  oog  op  onze  tegenwoordige  toestanden,  en  dat  deswege 
iets  nader  worde  toegelicht. 

Als  ik  lid  ben  van  eene  geïnstitueerde  kerk,  die  goed- 
vindt hetzij  door  een  besluit  van  haar  kerkeraad,  hetzij 
gedwongen  door  een  vreemde  macht,  Grieksch,  Iloomsch, 
Armenisch  of  wat  ook  te  worden,  dan  heb  ik  als  ,/geloo- 
vige"  tweeërlei  te  doen:  1°.  te  waken  voor  mijn  eigen  ziel 
en  de  ziel  der  mijnen,  opdat  de  verkeerdheid  van  het  insti- 
tuut, waarin  ik  leef,  geen  verderf  aanbrenge  over  mij  of  mijn 
nakomelingen;  en  2°.  krachtens  het  ambt  der  geloovigen  te 
waken  voor  den  welstand  van  de  geïnstitueerde  kerk.  Mislukt 
mij  dit  laatste,  en  blijft  mij  geen  middel  meer  over,  om  het 
instituut,  dat  ook  aan  mijn  zorge  en  toezicht  was  toevertrouwd, 
in  het  rechte  spoor  terug  te  leiden,  dan  rust  op  mij  de  plicht 
1".  om  ambtelijke  rechtspraak  over  het  instituut  te  oefenenen 
het  te  veroordeelen,  wat  Voetius  de  potestas  judicandl  noemt; 
en  2".  om  dit  ambtelijk  oordeel  te  bezegelen  doordien  ik  myn 
band  met  dit  instituut  losmaak.  Doch  hiermee  eindigt 
dan  ook  voor  mij  de  mogelijkheid  van  een  handeling  in 
het  ambt  der  geloovigen.  Daar  toch  dit  ambt  voor  mij, 
als  gequaliticeerd  geloovige,  wortelde  in  mijn  lid  zijn  van 
het  instituut,  kan  er  uiteraard  van  zulk  een  ambtelijke 
handeling  voor  mij  geen  sprake  meer  zijn,  zoodra  ik  uit  dit 
instituut  uit  ben,  en  zoolang  ik  nog  niet  tot  een  nieuw  insti- 
tuut   behoor.      Ik    keer    dan    terug    tot    den    toestand,    waarin 


SEPARATIE    TLTIMUM    REMEDIUM.  31 

nieuw-bekeerde  Christenen  in  een  Heidensche  of  Turksclie  stad 
verkeeren,  en  heb  weer  als  Chrixie»  naur  Gods  Woord  te  hande- 
len, d.  i.  met  anderen  tot  de  oprichting  van  een  nieuw  instituut 
over  te  gaan.  Eerst  daardoor  treed  ik  dan  weder  als  gequaliji- 
ceerd  geloovige  in  deze  nieuw  geïnstitueerde  kerk  op,  en  ontvang 
als  zoodanig  weer  mijne  auibtelijke  verplichtingen.  Is  het 
daarentegen,  dat  ik  als  nog  staande  in  het  ambt  der  geloovigen, 
d.  i.  als  lid  van  een  geïnstitueerde  kerk,  de  middelen  bezit,  om 
het  ontredderde  in.stituut  in  beteren  staat  te  herstellen,  en  dat 
mij  dit  gelukt,  dan  blijf  ik,  van  den  aanvang  tot  den  einde,  in 
mijne  qualiteit  als  zoodanig  handelen,  en  blijf  lid  van  hetzelfde 
instituut,  dat  alsnu  m  beteren  vorm  wordt  bestendigd.  Wil  men 
nu  het  eerste  Scpdmlif  noemen,  en  het  tweede  Doleantie,  dan 
heb  ik  tegen  deze  uitdrukkingen  geen  bedenking,  mits  Separatie 
dan  slechts  niet  in  ongunstige  beteekenis  worde  genomen,  of  met 
sektarisme  of  separatisme  verward,  In  de  10''''  eeuw  zijn  én 
hier  te  lande  én  elders  beurtelings  heide  wegen  door  de  Cal- 
vinisten  bewandeld.  Waar  ze  kans  zagen,  om  de  plaatselijke 
kerk  als  zoodanig  om  te  zetten,  bleven  ze  in  hun  kerk,  en 
maakten  die  kerk  van  Rome  los,  zonder  een  nieuio  instituut 
op  te  richten.  Maar  kon  dit  ter  oorzake  van  de  macht  der 
hiërarchie  of  van  de  overmacht  der  Overheid  niet,  dan  aarzelden 
ze  evenmin,  om  uit  hun  geïnstitueerde  kerk,  waartoe  zij  be- 
hoorden, uit  te  gaan,  en  op  nieuw  terrein  een  nieuwe  geïnsti- 
tueerde kerk  op  te  richten.  Het  laatste  kwam  bijna  altoos  voor 
in  Polen  en  Bohemen,  Italië  en  Spanje,  in  Frankrijk  en  een 
deel  van  ons  eigen  land ;  het  eerste  systema  daarentegen  wierd 
bijna  overal  in  Zwitserland  en  Duitschland  gevolgd,  in  Schot- 
land en  Engeland,  en  voor  wat  de  tweede  periode  van  onzen 
worstelstrijd  aangaat  in  ons  eigen   vaderland. 

Slechts  lette  men  er  op,  dat  de  keuze  tusschen  deze  beide 
niet  los  in  de  lucht  hangt.  Tot  de  oprichting  van  een  nieiitv 
instituut  ontstaat  het  recht  dan  eerst,  zoo  er  in  het  bestaande 
instituut,  waarvan  men  gecjualificeerd  lid  is,  geen  middel  meer 
overl)lijft,  om  het  als  instituut  tot  reformatie  te  brengen.  Hoe 
vast  echter  deze  regel  sta,  toch  is  het  uiterst  moeilijk,  (tin  in 
elk  voorkomend  geval  in  volstrekten  zin  uit  te  maken,  of  er 
zoodanig  middel  al  dan  ni-^t  nog  aanwezig  zij.   Het  geldt  hier  toch 


32  SEPARATIE    ÜLTIMUM    REMEDIUM. 

een  kerkrechtelijke  quaestie;  en  ligt  het  nu  reeds  in  den  aard 
der  zaak,  dat  niet  elk  lid  even  bekwaam  zal  zijn,  om  de  hem 
ten  dienste  staande  rechtsmiddelen  en  bevoegdheden  altoos  helder 
in  te  zien,  nog  veel  moeielijker,  ja,  bijna  onmogelijk  wordt  dit, 
zoo  de  deformatie  van  het  instituut  er  stelselmatig  toe  geleid 
heeft,  om  de  kennis  dier  rechtsmiddelen  en  bevoegdheden  te 
loor  te  doen  gaan.  Daarom  moet  bij  den  gestelden  regel  altoos 
deze  clausule  gemaakt,  dat  deze  regel  alleen  geldt,  voor  zoover 
iemand,  in  de  gesteldheid  waarin  hij  zich  bevindt,  deze  rechts- 
middelen en  bevoegdheden  kan  kennen,  kenl  en  in  staal  ifi  ze 
aan  te  wenden.  Bijaldien  derhalve  de  ééne  geloovige  desaan - 
gaande  zus  en  de  andere  zóó  ooi'deelt,  is  wel  feitelijk  uit  te 
maken,  wie  der  twee  juister  zag,  en  is  wel  theoretisch  te  be- 
slissen, wie  in  liet  afgetrokkene  het  beste  inzicht  in  de  voor- 
handen rechtsmiddelen  had ;  maar  nooit  maa:  de  ééne  hierin  de 
conscientie  des  anderen  oordeelen.  Zegt  de  één:  //Ik  zag  geen 
middel  meer,  om  in  het  instituut  als  zoodanig  rrformatie  aan 
te  brengen,  en  deswege  brak  ik,  en  sloeg  ik  den  weg  van 
tiienioe  formatie  in ;"  en  oordeelt  de  ander  daarentegen,  dat 
er  nog  wél  middelen  beschikbaar  zijn,  en  wendt  hij  die  aan, 
dan  heeft  noch  de  één  noch  de  ander  hierin  den  broeder  te 
oordeelen,  en  is  het  ongeoorloofd,  met  theorie  tegen  theorie, 
deswege  elkanders  Christelijke  handeling  in  verdenking  te 
brengen.  En  dat  niet,  als  kon  niet  uitgemaakt  wie  hierin 
het  scherpst  zag,  maar  eenvoudig  omdat  de  gaven  van  inzicht 
verschillen  en  de  gelegenheden  ongelijk  zijn.  Met  toepassing 
op  het  heden,  mag  daarom  nooit  gezegd,  dat  Separatie  oj) 
zichzelf  verkeerd  zou  zijn,  maar  alleen  dat  het  recht  tot 
Separatie  eerst  voor  iemand  geboren  wordt,  zoo  de  weg  tot 
reformatie  van  het  bestaande  instituut,  zij  het  ook  door  Dole- 
antie, hem  is  afgesneden.  Ware  het  eerste  het  geval,  dan  zou 
men  de  uit  deze  Separatie  ontstane  geïnstitueerde  kerken  nooit 
als  kerken  van  Christus  erkennen  kunnen.  Thans  daarentegen 
mag  men  alleen  zeggen  :  //Ik  voor  mij  zou,  hier  ter  plaatse 
en  op  dit  oogenblik  {/lic  el  unnc)  dien  weg  niet  hebben  mogen 
inslaan,  omdat  er  voor  mij  nog  een  andere  weg  open  bleef,  die 
de  prioriteit  had.  .luist  echter  wijl  een  iegelijk  hierin  voor  het 
forum  van  zijn  eigen  conscientie  staat  of  valt,  en  bij   dit  oor- 


SEPARATIE    ULTIMUM    RKMEDIUM.  33 

deel  niet  de  mate  van  inzicht,  en  kennis  en  eveneens  met  de 
gelegenheden  te  rekenen  valt,  erken  ik  de  vrucht  van  wat 
anderen,  naar  hun  overtuiging  deden,  als  openbaring  der  kerk 
van  Christus.  De  geïnstitueerde  kerken  der  Reformatie,  die 
deels  door  nieuwe  formatie  na  Separatie,  deels  door  verbetering 
van  het  bestaande  instituut  optraden,  hebben  dan  ook  nooit 
geaarzeld  elkaar  over  en  weder  te  erkennen,  en  met  elkander 
in  kerkverband  te  treden.  Dit  anders  te  drijven  ware  niets  dan 
geesteloos  doctrinarisme,  en  zoolang  er  alleen  Separatie  van  een 
bedorven  instituut,  en  geen  sektarisme  of  separatisme  in  het 
spel  is,  heeft  al  het  schermen  met  het  grocte  woord  van  , /scheu- 
ring   der    kerk/'    voor    wie    redelijk    denkt,    kracht   noch  zin. 

Toch  leide  men  hier  niet  uit  af,  dat  het  in  mijn  bedoeling 
zou  liggen,  den  gang  der  Reformatie,  los  van  alle  begmselen, 
prijs  te  geven  aan  subjectieve  wilkeur.  Dit  kan  reeds  daarom 
niet,  overmits  de  reformatie  altoos  een  geïnstitueerde  kerk 
geldt,  waarin  ieders  rechten,  plichten  en  bevoegdheden  bepaald 
zijn.  Zoo  staat  het  vast,  dat  in  gewone  tijden  alle  leiding  in 
de  geïnstitueerde  kerken  berust  bij  de  speciale  ambtdragers, 
zoodat  alle  reformatie  in  de  eerste  plaats  van  lien  uit  moet 
gaan,  en  zij  hierbij  nooit  mogen  worden  geïgnoreerd.  De  re- 
formatie van  een  geïnstitueerde  kerk  komt  dus  nooit  voor  re- 
kening van  het  ambt  der  //geloovigen",  zoo  de  voorgangers 
hun  [ilicht  doen  en  deze  ter  hand  nemen;  en  dan  eerst  als 
de  natuurlijke  voorgangers  nalatig  blijven,  komt  ten  deze 
het  ambt  der  /,geloovigen''  d.  i.  der  leden  aan  de  orde. 
Voorts  staat  het  aan  de  //geloovigen,/'  zoo  ze  aan  dit  oogenblik 
toe  zijn,  daarom  noo-  v(»lstrekt  niet  vrij,  te  doen  alsof  er 
geen  voorgangers  waren,  maar  hebben  ze  den  plicht  om  aller- 
eerst deze  voorgangers  door  vermaan  tot  plichtsbetrachting 
op  te  wekken.  En  eerst,  als  ook  dit  blijkt  niet  te  baten,  en 
alzoo  de  speciale  ambtsdragers  het  kwaad  onaangetast  laten, 
rust  op  het  ambt  der  geloovigen  de  verplichting  om  handelend 
op  te  treden.  Ook  dan  echter  mogen  deze  niet  bandeloos  han- 
delen. Ze  zijn  leden  eener  geïnstitueerde  kerk,  die  met  andere 
geïnstitueerde  kerken  kerkrechtelijk  verbonden  is,  en  al/.oo  moet 
alsdan  door  de   ,,geloovigen"   onderzocht  worden,  ot  er  voorde 

a 


34  SEPARATIE    LLTIMUM    KEMEDIUM. 

reformatie  van  hun  instituut  ook  hulpe  van  andere  kerken  door 
dezer  speciale  ambtsdragers  te  ontvangen  is.  Kan  het,  zoo  moet 
die  hulp  op  de  Classis  gezocht,  en  zoomogelijk  op  de  Synode; 
en  eerst  zoo  gebleken  is,  dat  noch  de  Classis  noch  de  Synode 
deze  geïnstitueerde  kerk  te  hulpe  komen,  en  ook  geen  gena- 
buurde  kerk  hulpe  bieden  kan,  eerst  dun  is  voor  de  //geloovigen* 
dezer   kerk  het  oogenblik  gekomen,  om  zelven  door  te  tasten. 

Ook  daarmee  echter  is  de  zaak  nog  niet  uit.  Immers  als 
er  gesproken  wordt  van  het  //ambt  der  geloovigen,"  is  niet 
bedoeld  het  ambt  van  een  of  twee  of  tien  leden,  ma,ar  yan  ,/de 
geloovigeu,"  die  samen  deze  geïnstitueerde  kerk  uitmaken; 
als  hoedanige  te  erkennen  zijn  allen  die  in  deze  kerk  tot  het 
heilig  Avondmaal  zijn  toegelaten.  Zal  dus  hun  handeling 
institutair  effect  sorteeren,  dan  is  het  niet  genoeg,  dat  eenige 
leden  der  kerk  saamkomen,  maar  moeten  zij  een  vergaderhtg 
beleggen,  Avaarin  alle  leden  toegang  hebben,  voor  zoover  zij 
tot  deze  reformatie  gezind  zijn.  Dit  laatste  moet  er  bij.  Zei 
men  toch,  dat  alle  leden  zonder  onderscheid  meê  konden  wer- 
ken, zoo  zou  elke  reformatie  onmogelijk  zijn,  zoodra  de  meer- 
derheid der  leden  uit  hypocrieten  bestond  of  met  het  verderven 
der  kerk  meeging.  En  daar  nu  het  //ambt  der  geloovigen" 
in  het  aangeduide  geval  geroepen  wordt  om  den  aard  en  het 
karakter  der  geïnstitueerde  kerk  tegenover  ingeslopen  gif  te 
verdedigen,  moet  wel  de  conditie  gesteld,  dat  de  leden,  die  in 
deze  daad  saam  werken,  beginnen  met  saam  weer  op  den  grond- 
slag van  de  belijdenis  der  kerk  te  gaan  staan.  Deze  belijdenis 
is  haar  wortel,  en  de  mtoefening  van  het  ambt  der  geloovigen 
is  in  zoodanig  geval,  van  de  hechtheid,  waarmede  men  aan  dien 
wortel  vastzit,  afhankelijk.  Voetius  onderscheidt  daarom  zeer 
juist  de  gevallen  waarin  de  major  oi  minor  pars  der  //geloovigen," 
d.  i.  hun  kleiner  of  grooter  deel  zich  tot  de  plichtsbetrachting 
in  het  werk  der  reformatie  voelt  aangedreven.  Bovendien 
spriugt  het  in  het  oog,  dat  hier  allerlei  gevallen  moeten  onder- 
scheiden worden,  die  Voetius  dan  ook  afzonderlijk  bespreekt, 
en  waaraan  nog  meerdere  onderscheidingen  zijn  toe  te  voegen, 
al  naar  gelang  één  of  meer  dienaren  des  Woords,  één  of  meer 
ouderlingen    en    diakenen    meegaan,    vele    of    weinige  „leden" 


HET    COLLEGIALE    STANDPUNT.  35 

Optreden,  hun  optreden  til  dun  niet  door  de  Overheid  bemoei- 
lijkt wordt  enz,;  maar  hoe  onderscheiden  deze  gevallen  ook 
zijn  mogen,  toch  worden  ze  ten  principale  alle  ueheerscht 
door  de  vraag,  of  c.  q.  de  //geloovigen^'  d.  /,.  de  leden  der  ge- 
ïnstitueerde kerk,  al  dan  niet  de  verplichting  hebben,  om  des- 
noods tegen  den  zin  en  wil  hunner  speciale  voorgangers  de 
rt't'ormatie  van  het  instituut,  waarin  ze  leven,  ter  hand  te 
nemen.  Hierover  nu  kan,  na  hetgeen  in  de  dagen  der  Reformatie 
geschied  is,  na  hetgeen  in  de  plei  looien  tegen  Komes  hiërar- 
chie beweerd  is,  en  na  hetgeen  Voetius  desaangaande  theore- 
tisch uiteen  heeft  gezet,  onder  Calvinisten  geen  twijfel  meer 
bestaan.  Voor  hen  staat  deze  ambtelijke  bevoegdheid  en  ver- 
plichting vast. 

Al  mag  men  dus  den  broeder  niet  oordeelen,  en  als  is  er 
geen  enkele  reden  aanwezig,  waarom  men  de  nieuw  geïnstitu- 
eerde kerkeu,  die  ten  onzent  na  183 1  door  Separatie  ontstaan  zijn, 
niet  met  broederlijke  genegenheid  als  kerken  Christi  zou  erkennen, 
toch  mag  verheeld  noch  verzwegen,  dat  te  zijner  tijd  op  deze 
ambtelijke  bevoegdheid  en  ver])lichting,  en  evenzoo  op  de  regelen, 
die  hierbij  gelden,  veel  te  weinig  gelet  is.  Althans  dat  men, 
zelfs  zonder  zijn  afgeweken  voorgangers  te  vermanen,  zijn 
instituut  eenvoudig  liet  voor  wat  het  was,  en  er  een  afscheids- 
brief aan  zond,  kan  nooit  onvoorwaardelijk  worden  goedge- 
keurd; iets  wat  te  minder  mag  verzwegen,  naardien  de  kerk  te 
ülrum  nid  met  nieuwe  foruuitie  begon,  maar  reformatie  in  het 
bestaande  instituut  tot  stand  bracht.  Doch  «ieiiik  <ïeze«;d,  al  is 
men  overtuigd,  dat  er  vaak  te  lichtvaardig  over  de  ambtelijke 
verplichtingen  der  geloovigen  is  heengegleden,  en  dieper  studie 
van  de  Gereformeerde  beginselen  licht  een  anderen  loop  aan  de 
zaaiv  zou  hebben  gegeven,  toch  mogen  zij,  die  inmiddels  zorge- 
loos in  het  bedorven  instituut  bleven  voortleven,  zonder  aan 
de  reformatie  ervan  de  liand  te  slaan,  hiervan  nooit  een  verwijt 
maken  aan  hen,  die  althans  gevoelden  dat  men  nit-t  zoo  bedorven 
instituut  geen  vrede  mociit  nemen,  en  het  daarom  misschien  al  te 
spoedig  verlieten,  iets  wat  te  meer  klemt,  omdat  de  reglementen 
van  het  instituut  van  1810,  waaronder  men  leefde,  niet  met  zoovele 
woorden  deze  bevoegdheden  en  verplichtingen  van  tle  „geloo- 
viiïen"   tot  reformatie  van   hun   instituut   i-rkcuden. 


36  HET    COLLEGIALE    STANDPUNT. 

Dit  laatste  punt  eischtbreeder  toelichting.  Indien  men  toch,  gelijk 
de  Haagsche  Synode  en  de  Burgerlijke  rechter  gedaan  heeit, 
de  rechten  en  bevoegdheden  van  kerkeraden  en  ,/geloovigen" 
uitsluitend  naar  het  Reglement  van  1816/52,  met  de  daaruit 
voortgevloeide  organieke  reglementen,  beoordeelt,  dan  is  het  vol- 
komen duidelijk,  dat  noch  de  kerkeraad,  noch  //de  geloovigen,"  op 
dit  Collegiale  standpunt  eenige  de  minste  bevoegdheid  bezaten, 
om  tot  reformatie  van  het  plaatselijk  instituut  over  te  gaan. 
Immers  in  deze  reglementen  was  duidelijk  aangewezen,  welke 
weg  moest  bewandeld  worden,  om  tot  //wetsverandering'"  te 
geraken.  De  vraag  was  dus  maar,  of  de  kerkeraden  en  de 
//geloovigen/'  voor  God  in  hun  conscientie  vrij  stonden,  om  zich 
op  dit  collegiaal-reglementaire,  schijnbaar  zoo  eenvoudige  stand- 
punt te  plaatsen.  En  dit  nu  moet  ontkend.  Ontkend  vooreerst, 
omdat  bij  de  invoering  van  de  organisatie  van  1816  uitdruk- 
kelijk de  waarborg  Avas  gegeven,  dat  aan  de  Drie  Formulieren 
van  eenigheid  niet  zou  getornd  worden,  en  dat  deze  alzoo  de 
basis  van  het  instituut  zouden  blijven.  De  afwijking  van  deze 
basis  door  de  besturen  was  alzoo  een  vergrijp  tegen  het  insti- 
tuut, waardoor  nooit  het  recht  van  kerkeraden  of  //geloovigen" 
kon  verkort  worden,  om  op  deze  basis  stand  te  houden  ;  mits 
men  er  dan  ook  naar  handelde.  En  overmits  nu  in  Artikel 
27 — 30  van  onze  Belijdenis  de  Gereformeerde  beginselen  van 
kerkrecht  duidelijk  staan  aangegeven,  konden  de  geloovigen, 
door  in  strijd  met  deze  beginselen  gemaakte  bepalingen,  nooit 
van  den  plicht  die  voor  hen  uit  deze  Belijdeni- voortvloeide,  ont- 
slagen worden.  Ten  liceede  waren  de  kerkeraden  in  den  regel 
opgetreden  na  sti])ulatiën  voor  God  en  de  gemeente,  waarbij  hun 
uit  het  aloude  formulier  hun  verplichting  in  Gereformeerden 
zin  was  voorgehouden;  en  uiteraard  bond  deze  belofte,  die  met 
een  eed  voor  God  gelijk  stond,  alle  speciale  ambtsdragers  in 
de  conscientie.  Ten  derden  was  in  verreweg  de  meeste  gevallen, 
bij  de  bediening  van  den  heiligen  Doop,  nogmaals  van  de  „ge- 
loovigen^'  een  belijdenis,  verklaring  en  belofte  afgenomen,  die 
hen  bij  vernieuwing  aan  de  Gereformeerde  belijdenis  en  dus 
ook  aan  de  daarin  vervatte  beginselen  van  kerkrecht  bond.  En 
in  de  vierde  of  liud.sle  plaats  was  heel  deze  nieuwe  reglemen- 
teering   aan    de    kerken  opgelegd  door  een  geheel  onbevoegde 


HET    COLLEGIALE    STANDPUNT,  37 

macht,  en  was  nimmer  in  kerkelijk  wettigen  weg  de  Gerefor- 
meerde kerkenoniening  afgeschaft.  Wel  wus  dus  het  instituut 
der  plaatselijke  kerken  door  de  invoering  van  de/e  reglenien- 
teering  en  het  optreden  van  de  uit  haar  voortgekomen 
besturen,  in  l)ittere  verwarring  gebracht ;  mair  nooit  was  door 
behoorlijke  stipulatiën,  in  verband  met  de  overige  kerken,  hetzij 
de  nog  van  ouds  geldende  kerkennrdening  afgeschaft  of  de  nieuwe 
orde  van  zaken  aanvaard  ;  en  inmiddels  ha  1  men  uit  den  vroecreren 
toestand  nog  allerlei  bijbehouden,  waardoor  feitelijk  de  nieuwe 
organisatie  krachteloos  wierd  gemaakt  en  de  oude  nog  voort- 
leefde. De  ,.geloovigen/'  konden  zich  derhalve  niet  als  ont- 
slagen beschouwen  van  den  plicht,  om  de  reformatie  der  kerk 
ter  hand  te  nemen  :  en  dat  te  minder  omdat  de  dusgenaamde 
aanneming  rehun  ijinis  et  factls  schipbreuk  leed  op  het  feit,  dat 
een  organisatie,  die  in  openbaren  strijd  was,  zoo  met  Gods 
Woord  als  met  de  daaruit  afgeleide  beginselen  van  Gerefor- 
meerd kerkrecht,  rechtens  nooit  /con  aangenomen  worden.  Een 
besluit,  van  wien  ook,  om  eene  Gereformeerde  kerk  Roomsch  te 
verklaren,  zou  noch  door  stijiulatie  noc/t  door  de  feiten  aange- 
nomen /cKiineii  worden,  omdat  hierdoor  het  wezen  zelf  derCïe- 
reformeerde  kerk  wegviel.  Is  het  nu  kennelijk  dat  de  organi- 
satie van  181G  nog  veel  erger  deed  dan  f)ns  Roomsch  maken, 
dan  volgt  hieruit  rechtstreeks,  dat  deze  organisatie  geen  kerke- 
raad  of  „geloovige"  ooit  in  zijn  conscientie  binden  kon.  En 
wijl  alzoo'noch  feitelijk  noch  rechtens  de  oude  Gereformeerde 
kerkenordening  nwchl  beschouwd  worden,  als  dood  en  niet  meer 
bestaande,  zoo  had  geen  enkel  vgeloovige"  recht,  om  te  zeggen, 
dat  de  verplichtingen,  die  voor  de  reformatie  van  zijn  geïnsti- 
tueerde kerk  uit  de  oude  rechtsbeginselen  voortvloeiden,  voor 
hem  niet  meer  bestonden  of  golden. 

Maar  hoe  waar  dit  nu  ook  zij,  zooilra  men  het  een  maal  inziet, 
toch  is  het  volkomen  begrijpelijk,  dat  de  sluwheid  waarmee  de 
organisatie  van  1816  de  kerken  in  haar  strikken  ving,  alleszins 
geschikt  was,  om  de  geesten  te  verwarren,  de  inzichten  te  ver- 
duisteren en  het  geestelijk  besef  op  dit  punt  in  .slaaj)  te  wiegen. 
Wat  thans  door  de  herleving  der  Calvinistische  studiën  weer  in 
het  bewustzijn  opkomt,  had  destijds  op  het  kerkelijk  bewu.stz ij n 
nog  geen  vat,  en  al  mag  ons  dit  ninuiuT  verleiden,  om  iets  ocdv 


38  SEPARATISME. 


maar  op  den  vollen  eisch  der  beginselen  af  te  dingen,  toch  blij  ve 
ook  hierin  alle  geestelijke  ])reutsclilioi(l  verre  van  ons.  Ook  in 
de  IG''''  eeuw  zijn  door  tal  van  kerken  soortgelijke  verzuimen 
begaan,  zonder  dat  onze  vaderen  er  ooit  aan  gedacht  hebben, 
deswege  elkanders  doen  te  bedillen,  of  in  het  uitzijgen  van 
kerkrechtelijke  muggen  hun  kracht  te  zoeken.  Ze  namen  de 
dingen  gelijk  ze  waren,  een  iegelijk  voor  zijn  eigen  conscientie 
stellende,  en  voorts  gingen  ze  studeeren,  onderzochten  de  dingen, 
dachten  ze  door,  en  zochten  zoo  door  inspanning  van  vereende 
krachten  de  kerken  in  zuiverder  spoor  te  leiden. 

Slechts  één  ding  mag  niet  toegelaten;  er  mag  namelijk 
nooit  worden  gezegd,  dat  de  reformatie  door  breuke  met  het 
bestaande  en  oprichting  van  een  nieuw  instituut,  óf  de  eenig 
goede  óf  de  meest  voor  de  hand  liggende  is.  Dit  toch  ware 
geen  Separatie,  maar  separatisme  in  ongeoorloofden  en  sektari- 
schen  zin.  Maar  zoo  is  dan  ook  door  de  kerken  van  18:^4 
niet  geoordeeld.  Integendeel,  deze  kerken  hebben  op  haar  Sy- 
node, in  1889  te  Kampen  gehouden,  duidelijk  uitgesproken, 
dat  ze  ook  die  Nederduitsche  Gereformeerde  kerken,  die  door 
reformatie  van  het  instituut  zelve  ontstaan  waren,  als  kerken 
Christi  erkenden.  Hiermee  was  de  deugdelijkheid  ook  van  dezen 
ouden  weg  tot  reformatie  alzoo  buiten  ciuaestie  gesteld.  En 
nog  sterker  geschiedde  dit,  toen  er  geen  verzet  gehoord  wierd 
tegen  het  denkbeeld- 7)'g/^Xw,  om  ook  voortaan  in  al  zulke 
steden  of  dorpen,  waar  reeds  een  nieuwe  kerkformatie  geïnsti- 
tueerd was,  een  reformatie  van  het  oude  instituut  te  erkennen, 
mits  die  door  den  kerkeraad  tot  stand  wierd  gebracht. 
Slechts  dient  tegen  deze  laatste  beperking  om  des  beginsels 
wille  geprotesteerd.  Deze  beperking  toch  gaat  uit  van  het 
denkbeeld,  dat  de  verplichting  tot  reformatie  van  het  instituut, 
waarin  men  leeft,  wel  op  den  kerkeraad  rust,  maar  niet,  zoo 
de  kerkeraad  stilzit,  op  de  //geloovigen."  En  dit  nu  kan 
en  mag  op  Gereformeerd  terrein  nooit  toegegeven,  omdat  men 
hiermee  op  de  Roomsche  lijn  orergaat,  die  een  andere  reformatie 
van  het  instituut  dan  door  de  hoofden  niet  toelaat.  Zulk 
een  beperking  ware  de  schrapping  van  het  ambt  der  geloovigen  ; 
een  vernietigin»;  van  het  bejjinsel  van  Geref(U'meerd  kerkrecht  ; 
en    een    weer    inhah  n  van  de  clericale  afdolin<jc. 


SEPAKATISME  30 


Een  geheel  andere  vraag  is  het  daarentegen,  of  men  toestemt 
dan     wel    ontkent,    dat,    hoe/.eer    beide    wegen  van  reformatie 
mogelijk  zijn,   toch  altoos  die  van  reformatie  in  het  bestaande 
instituut    de    voorkeur    verdient,    en    die  van  nieuwe  formatie 
eerst  aan  de  orde  komt,  zoo  de  eerste  onmogelijk  blijkt.     Dit 
wordt   onzerzijds  Ijeweerd,  en  voorhands  nog  door  velen  in  de 
Christelijke  Gereformeerde  kerk  ontkend.   Deze  ontkenning  nu 
kan    tweeërlei   grond  hebben,  die  men  wél  onderscheide.     Het 
kan    namelijk  zijn,  dat  iemand  zegt  :   //Hij   deformatie  van  het 
kerkelijk  instituut,  is   Separatie  er  van  ^//A"/,y/y/r/iv^«/ of  althans 
altoos  evengoed  als  reformatie  in  het  instituut."   Maar  het  kan 
ook    wezen  dat  iemand  u  antwoordt :   //Op  zichzelf  gaat  refor- 
matie   in  het  instituut  voor;  maar  bij  het  instituut  van   1816 
kon    hiervan    geen    sprake    wezen.''     Tegen    dat  eerste  zeggen 
nu    zouden    we  om  des  beginsels  wille  moeten  opkomen,  over- 
mits   hierdoor   aan  elke  groep  ontevredenen  in  eenige  geïnsti- 
tueerde  kerk  aanstonds  het  recht  zou  worden  gegeven,  om  er 
een    nieuw    instituut    naast  te  plaatsen;  wat  niet  mag.     Tn  de 
tweede    plaats,    omdat    het    strijdt    met    het    gebod  der  liefde 
en    de   gemeenschap  der  heiligen,  voor  onze  medeleden  in  het 
instituut  zonder  zorge  te  zijn.  En  in  de  derde  plaats,  naardien 
hiermee  een  der   gewichtigste  verplichtingen,  die  het  kerkelijk 
instituut  aan  de  geloovigen  oplegt,  buiten  werking  zou  worden 
ge.steld.     Wie    zoo    spreekt,    spreekt    uit  het  beginsel  van  het 
sektarisme,  en  heeft  geen  besef  van  don  eisch  der  catboliciteit. 
Maar  zoo  spreken  dan  ook  slechts  zeer  weinigen,  en  verreweg 
de  mces-t«n,  die  aan  Separatie  de  voorkeur  gaven,  deden  dit,  w/^/ 
omdat    ze    in  beginsel  reformatie  in  het  instituut   niet  als  het 
eerst  aan  de  orde  komend  lieschouwdcn,  maar  overmits  ze  deze 
ontoepasselijk  achtten  op  het  Instituut  van   1816.  En  dan  na- 
tuurlijk, bestaat  er  geen  verschil  van  lieginselen,  maar  alh'en  een 
verschil  van   historische  beschouwing  over  den  toestand,  waarin 
onze  plaatselijke  Gereformeerde  kerken  door  de  organisatie  van 
1810  gebracht  waren    En  dit  nu  kan  nooit  op  Christelijk  terrein 
scheiding    te    weeg  brengen.     Dat  verschil  moeten  de  kenners 
der  historie  voor  ons  uitmaken.   In  het  beginsel  van  kerkrecht 
zijn  we  het  dan  eens. 


40  EEX    TWEEDE    INSTITUUT. 

Hiermede  nu  hangt  tevens  de  vraag  saam,  die  vooral  onzen 
Christelijken  Gereformeerden  broeders  belang  inboezemt,  of  bij 
eventueele  sluiting  van  een  gemeenschappelijk-  kerkverband, 
naast  de  nieuwe  formatie,  die  door  Separatie  ontstaan  is,  als- 
nog een  reformatie  van  het  l)estaande  oude  instituut  zou  kunnen 
optreden.  Kampen  oordeelde  van  neen,  Utrecht  meende  van 
ja.  Dit  onderscheiden  antwoord  vond  zijn  oorsprong  in  de 
verschillende  wijze  waarop  men  zichzelven  deze  vraag  stelde. 
Vraagt  men  toch  of,  ook  na  de  daad  van  zeker  aantal  //ge- 
loovigen",  die  hun  instituut  verlieten  en  een  nieuw  instituut 
oprichtten,  op  de  overige  //geloovigen",  die  in  zulk  een  be- 
dorven instituut  achterbleven,  niet  de  verplichting  l)leef  rusten, 
om  aan  de  reformatie  van  dit  instituut  de  hand  te  slaan,  dun 
zullen  de  denkende  koppen,  ook  buiten  Kampen  en  Utrecht,  wel 
eenparig  antwoorden  :  Natuurlijk  ja.  Vraagt  men  daarentegen  of 
de  ,/geloovigen,'''  die  in  het  bedorven  instituut  zich  opmaken  om 
de  reformatie  van  hun  instituut  door  te  zetten,  alsof  er  nog  geen 
andere  formatie  tot  stand  ware  gekomen,  zich  tegenover  deze 
mogen  plaatsen  en  haar  leden  den  eisch  mogen  stellen,  om  in 
het  tot  reformatie  gekomen  instituut  weder  te  keeren,  dan 
zullen  evenzoü  de  denkende  koppen,  in  en  buiten  Kampen  en 
Utrecht,  wel  als  met  ééne  stem  antwoorden  :  Nafiturlijk  neen.  Daar 
nu  Uti'echt  zich  op  het  eerste  standpunt  plaatste,  en  Kampen 
op  het  tweede,  zoo  was  het  natuurlijk  dat  beider  antwoord  tegen- 
strijdig moest  uitvallen.  Denkt  men  zich  daarentegen  in  den 
toestand  in,  die  geboren  wordt,  zoodra  de  kerken  van  beide 
formatiën  in  één  zelfde  kerkverband  saamleven,  dan  komt 
heel  deze  quaestie  neer  op  deze  heel  andere  vraag,  of  na- 
melijk in  één  zelfde  stad  of  dorp  twee  kerkformatiën  bestaan- 
baar zijn,  die  Classicaal  toch  saamwerken. 

Nu  is  dit,  zeer  groote  steden  uitgenomen,  zeker  geen  gewenschte 
toestand.  Het  deelt  de  krachten,  het  verhoogt  de  kosten,  het  ver- 
slapt de  tucht.  Het  r/oö^  moet  dus  altoos  blijven  op  een  saam  ver- 
gadering van  alle  Gereformeerden  onder  eenzelfden  kerkeraad  aan 
te  dringen,  en  hoe  eerder  dit  doel  bereikt,  wordt  des  te  beter. 
Absoluut  echter  kan  men  niet  zeggen  dat  het  Gereformeerde  kerk- 
recht    het    bestaau    van  twee  of  meer  instituten  in  een  zelfde 


EEN'    TWEEDE    INSTITUUT.  41 

plaats  verbiedt.  W.iar  <le  taal  scheiding  maakte,  greep  het 
altoos  plaats,  en  bestonden  de  Nederdiiitsche,  Walsche  en  En- 
gelsche  formatiën  in  een  zelfde  plaats  naast  elkander.  Wat 
nu,  reeds  ter  oorzake  van  een  zoo  bijkomstig  iets  als  de  taal 
kan,  is  uiteraard  door  het  beginsel  niet  buitengesloten,  en  voor 
zeer  «rroote  steden  misschien  zelfs  «'ewenscht.  Althans  Voetius 
vindt  er  geen  peremptoir  bezwaar  in.  Zoo  oordeelden  dan  ook  én 
Kampen  én  Utrecht,  want  beiden  accepteerden  het  feitelijk 
naast  elkander  bestaan  van  twee  f<u-ni!itiën  onder  twee  kerke- 
raden in  meer  dan  honderd  steden  en  dorpen.  Op  zichzelf  is 
er  dus  geen  principieele  reden  denkliaar,  waarom  dit  ook  in  de 
toekomst  ongeoorloofd  zou  zijn.  Terwijl  dan  ook  Utrecht  op 
dit  })UMt  eenstemmig  dacht,  was  men  te  Kampen  verdeeld,  en 
op  tw'je  na  hebben  alle  deputaten  der  Christelijke  Gerefor 
meerden,  die  het  concept  aan  hun  Synode  aanboden,  zich  door 
hun  eigen  handteekening  in  gelijken  zin  verklaard  als  Utrecht. 
Intusschen  geven  we  gaarne  toe,  dat  zulk  een  optreden,  hoewel 
principieel  niet  ongeoorloofd,  toch  zeer  zeker  niet  «■t'//.yc//6'///X- is. 
En  veel  beter  zou  het  ons  dunken,  indien  leden  van  het  oude 
instituut  na  de  reformatie  van  dit  instituut  te  hebben  tot  stand 
gebracht  en  alzoo  hun  conscientie  ontlast,  terstond  met  het  nieuw 
gevormde  instituut  in  overleg  traden  oiu  door  behoorlijke  stipu 
latiën  beide  in  één  te  laten  smelten.  Men  houde  toch  wél  in 
het  oog,  dat  vooral  op  kleine  plaatsen  een  te  ver  gaande  ver- 
snippering •  van  krachten  tot  groot  ongerief  leidt,  en  dat  het 
later,  o  zoo  moeilijk  valt,  twee  naast  elkander  voortlevende 
formatiën  tot  eenheid  te  brengen.  Veeleer  is  dit  nevens  elkander 
bestaan  een  zeer  welkome  gelegenheid  voor  Satan,  om  in  beide 
formatiën  (mheilige  bitterheid  tegen  elkander  te  blazen,  en 
alzoo  niet  het  Koninkrijk  van  Christus,  maar  het  koninkrijk 
van  Satan  bevorderen. 

Ik  twijfel  dan  ook  niet  of  praktisch  zou  deze  zaak  zich 
uiteraard  wtd  vinden,  inits  men  slechts  niet  twee  tegenoverge- 
stelde beginselen  in  dit  vraagstuk  incorporeert,  en  daardoor 
beiderzijds  de  partijen  voor  de  keuze  stelt,  om  óf  op  eerbiedigen 
afstand  van  elkander  te  blijven,  óf  een  beleden  en  hoogst  ge- 
wichtig beginsel  prijs  te  geven.  Het  punt  waarop  het  aan- 
komt is  maar,  dat  de  plicht  der  geloovigen  erkend  blijve,  om 


42  NIET    IX    r.EESTELIJKEN'   ZIN. 

het  instituut,  waarin  ze  leven,  tot  reformatie  te  brengen;  een 
verplichting,  die  in  zoo  volstrekten  zin  doorgaat,  dat  naar  de 
juiste  theorie  onzer  vaderen  elk  pastoor  en  elk  leek  in  de 
Koomsch  Katholieke  kerk  nog  heden  ten  dage  geroepen  is,  om 
de  kerk  waarin  ze  leven,  naar  den  Woorde  Gods  te  reformee- 
ren, en,  na  zoodanige  reformatie,  met  ons  in  kerkverband  te 
treden.  Maar  mits  hier  niet  aan  getornd  worde,  is  er  bijna 
alles  voor  te  zeggen,  dat  het  aldus  /lervormde  instituut  met 
het  eertijds  te  dier  plaatse  nie?iwge\orïaóe  instituut,  door  we 
derzijdsche  stipulatiën,  onverwijld  tot  één  instituut  samensmelte  ; 
met  dien  verstande  dat  in  zoodanige  plaats  voortaan  slechts  ééne 
geïnstitueerde  Gereformeerde  kerk  besta.  Iets  wat  natuurlijk 
niet  denkbaar  zou  zijn,  zoolang  het  Reglement  van  1869  van 
kracht  blijft ;  maar  hiervan  was  in  de  Concept-acte  dan  ook 
geen  oogenblik  sprake,  en  zelfs  te  Kampen  wierd  dit  punt  slechts 
in  de  onderstelling  besproken,  dat  vooraf  dit  Reglement  wegviel- 


III. 

DE    KERKIIECHTELIJKï:,    BURGERllECHTELIJKE    EN    STAATSRECHTELIJKE 
GEVOLGEN     DEK     BEIDE     REFORMATIËN. 

Is  het  nu  alzoo  naar  eisch  der  Gereformeerde  beginselen 
gelegen  met  het  o/ifsfaan,  voortbesfaan  en  de  hefering  van  eene  be- 
staande geïnstitueerde  kerk,  dan  is  door  het  trekken  dezer  vaste 
lijnen  een  juister  oordeel  mogelijk  geworden  over  de  kerkrech- 
telijke gevolgen  eener  reformatie  van  het  instituut  der  kerk, 
'tzij  (ian  door  Separatie,  'tzij  door  Doleantie.  Natuurlijk  zal 
de  uitteekening,  die  ik  van  deze  gevolgen  geven  ga,  geen  klem 
hebben  op  een  lezer,  die  het  in  deze  praemissen  niet  met  mij 
eens  is.  Mocht  alzoo  ook  over  deze  praemissen  geschil  rijzen, 
dan  schelde  men  gedachtenwisseling  over  deze  praemissen  wel 
af  van  het  debat  over  do  daaruit  afgeleide  aevol(?en.  Voor 
zooverre  ik  intusschen  de  historie  dor  reformatie  in  Calvinis- 
tische landen  kan  nagaan,  de  beginselen  van  kerkformatie  by 
onze  groote  theologen  bestudeerd  heb,  en  de  uitwerking  van 
deze  beginselen  in  de  kerkrechtelijke  theorie  bij  mannen  als 
Voetius,    Trigland    enz.  raadpleegde,  meen  ik  dat  de  door  mij 


KEUKRECIITELIJKE    GEVOLGEN    DEK    SEPARATIE.  43 

gegeven  voorstelling  vast  genoeg  staat,  om,  zonder  nadere 
critiek  af  te  wachten,  reeds  nu  uit  de/.e  beginselen,  uit  deze 
practijk  en  deze  theorie  de  noodzakelijke  gevolgen  af  te  leiden 
voor  onzen  actueelen  toestand. 

Slechts  ten  overvloede  herhaal  ik  daarbij,  dat  ik  ditiuaul 
niet  treed  in  de  geestelijke  zijde  van  wat  plaats  greep.  Die 
geestelijke  zijde  is  er  natuurlijk.  Zoo  God  de  Heere  de  con- 
scientiën  niet  had  wakker  geschud,  en  door  zijnen  Heiligen 
Geest  in  veler  hart  een  vonk  van  hooger  geestdrift  had 
ontstoken,  ware  er  noch  Separatie  noch  Doleantie  tot  stand 
gekomen,  en  zou  zoowel  1884  als  188(J  gewoon //Synodaal"  zijn 
voorbijgegaan.  En  niet  minder  spreekt  het  vanzelf,  dat,  zoo 
de  goede  hand  Gods  niet  l)eide  malen,  nu  eens  door  vervolging 
en  strijd,  en  dan  weer  door  voorspoed  en  gedijen,  onze  zake 
bevorderd  had,  het  eens  begonnen  werk  aanstonds  weer  in 
duigen  zou  zijn  gevallen.  Er  is  beide  malen  niet  slechts  door 
menschen  gesproken  en  gehandeld,  maar  achter  dat  spreken 
en  handelen  werkte  beide  malen  een  werk  van  dien  God,  die 
én  de  eerste  aandrift  inblies,  én  een  geest  van  inzicht  en 
wijsheid  uitzond,  én  onze  vele  zonden  verzoende,  gedurig  weer 
in  zijn  lankmoedigheid  goed  makende  wat  door  onze  schuld  zou 
bedorven  zijn.  Maar  dit  //werk  Gods, /' zoo  in  de  Scheiding  als  in 
de  Doleantie,  gelijk  men  het  gemeenlijk  noemt,  staat  te  hoog 
en  is  te  heilig,  om  tot  een  factor  in  de  kerkrechtelijke  beschou- 
wing te  worden  verlaagd.  En  het  is  daarom,  ilat  ik,  thans 
alleen  de  kerkrechtelijke  zijde  der  quaestie  besprekende,  deze 
(jpestelijke  beschouwing  met  opzet  rusten  laat. 

Wat  nu  de  door  Separatie  tot  stand  gekomene  nieuwe  for- 
matie van  geïnstitueerde  kerken  betreft,  zijn  de  kerkrechtelijke 
gevolgen  zonder  veel  moeite  vast  te  stellen  ;  althans  voor  het 
heden.  Aanvankelijk  heeft  Overheidsinmenging  («p  dit  stuk 
wel  allerlei  verwarring  aangebraciit,  gelijk  dit  ook  nu  weerbij 
de  Doleantie  plaats  greep ;  reden  waarom  ook  op  de  staats- 
rechtelijke en  burgerrechtelijke  gevolgen  van  beide  pogingen 
tot  reformatie  gewezen  dient;  maar  voor  de  actie  die  van  1834 
uitging  zijn  ook  deze  gevoloen  thans  zoo  helder  als  glas  ge- 
worden. Over  den  toestand  uit  deze  eerste  actie  geboren  kan 
ik  daarom  kort  zijn. 


44  KERKRECHTELIJKE    GEVOLGEN    DER    SEPARATIE, 

Kerkrechtelijk  namelijk  staat  het  vast,  dat  die  ,/geloovigen" 
d.  w.  z.  die  leden  van  het  bestaande  instituut,  die  in  1834 
en  daarna  tot  Sej)aratie  van  dit  instituut  meenden  te  moeten 
overgaan,  hiermee  op  hetzelfde  oogenblik,  dat  zij  dezen  stap 
deden,  zich  van  elke  qualiteit,  van  alle  bevoegdheid,  van  alle 
recht  en  van  elke  verplichting,  die  krachtens  vroeger  gemaakte 
stipulatiën  in  deze  geïnstitueerde  kerken  voor  hen  golden,  geheel 
en  in  volstrekten  zin  losmaakten.  Wie  uit  een  geïnstitueerde 
kerk  uittreedt,  is  van  dat  oogenblik  af  kerkrechtelijk  voordat 
instituut  als  niet  meer  tjestanmh;  en  dat  instituut  als  dood  voor 
hem.  Daags  na  deze  Separatie  staat  hij  dus  als  Christen  in 
de  wereld,  met  alle  verplichtingen  die  op  elk  Christen  rusten, 
maar  kerkreclifelijk  is  hij  niets  meer.  Hij  leeft  op  dit  oogen- 
blik buiten  elk  kerkrechtelijk  verband,  en  staat  in  zooverre 
gelijk  met  nieuw-bekeerden,  die  voor  het  eerst  in  een  plaats, 
waar  nog  geen  kerke  Christi  was,  tot  aanroeping  van  den 
Naam  des  Heeren  gekomen  zijn.  Welke  geestelijke  betrekking 
hij  nog  op  vele  personen  in  bet  oude  instituut  hebben  moge, 
doet  hier  dus  niets  ter  zake.  Wie  zijn  band  als  lid  van  een 
geïnstitueerde  kerk  doorsnijdt,  bezit  op  dat  oogenblik  geen 
geïnstitueerde  kerk  meer.  Juist  daaruit  echter  vloeit  de  ver- 
plichting voort,  om  terstond  tot  het  institueeren  van  zulk  een 
kerk  over  te  gaan.  Dit  is  dan  ook  zoo  geschied.  Allerwegen 
zijn  de  uitgetredenen  saamgekomen;  hebben  voor  elkander 
professie  van  hun  geloof  gedaan;  de  forme  eeuer  kerk  in  het 
leven  geroepen;  personen  voor  de  ambten  aangewezen;  een 
kerkenordening  ingesteld;  en  verband  met  andere  kerken  ge- 
zocht en  gevonden.  Hierdoor  nu  ontstond  voor  hen  een  geheel 
nieuwe  kerkrechtelijke  toestand,  die  zijn  grondslag  vond  in 
de  stipulatiën,  waarmede  zij  zich  over  en  weder  jegens  elkander 
en  jegens  andere  nieuw  geformeerde  kerken  hadden  verbonden. 
Wel  was  dit  niet  zoo  te  Ulrum  en  elders,  waar  het  tjestaande 
instituut  gereformeerd  is;  maar  in  verreweg  de  over4roote  meer- 
derheid der  Christelijke  Gereformeerde  kerken  is  zóó  metterdaad 
de  grondslag  gelegd  voor  den  kerkrechtelijken  toestand  waarin 
ze  thans  leven. 

Intusschen  hoe  duidelijk  en  onbetwistbaar  dit  kerkrechtelijk 


KERKKECHTELIJKE  GEVOLGEN    DER    SEPARATIE.  45 

ook  zijn  moge,  toch  is  hiermee  van  verre  niet  uitgedrukt,  wat 
eigenlijk  in  de  bedoeling  der  zich  separeerenden  lag  eii  wat  ze 
voorhadden  in  hun  hart.  Hun  bedoeling  toch  was  volstrekt 
niet  om  een  nieuwe  kerk  te  institueeren,  maar  veeleer  om  de 
oude  kerk  der  vaderen  uit  de  ,/valsch  gewordene''  kerk  uit  te 
leiden  en  op  vrij  erf  tot  nieuwen  bloei  te  brengen.  Niet  minder 
dan  wij  bekennen  de  Gescheidenen  in  de  martelaarskerk  der  vade- 
ren de  kerk,  waarvan  ze  afstammen.  Ze  zijn  niet  een  nieuw 
opgekomen  groep,  maar  zonen  van  een  geslacht  uit  hetzelfde 
historisch  verleden  dat  wij  achter  ons  hebben.  Niet  als  neophy- 
ten  traden  ze  dus  op  ;  niet  als  Christelijke  parvenu's,  die  zich 
voor  het  eerst  op  Christelijk  terrein  aanmeldden,  maar  veeleer 
als  de  door  Gods  genade  getrouw  gemaakte  zonen  van  een 
historische  kerk.  Vandaar  dat  ze  geen  nieuwe  belijdenis  op 
stehien,  maar  de  Formulieren  van  eeniyJieid  uit  de  historische 
kerk  overnamen,  en  evenmin  oin-spronkelijk  aan  een  nieuwe 
kerkenordeniug  dachten,  maar  eenvoudig  op  de  kerkenordeninij 
van  1619  hun  ijk  zett'en.  Maar  hoezeer  dit  ook  hun  eigenlijke 
bedoeling  was,  en  ze  feitelijk  ook  door  ons  als  zonen  van  het- 
zelfde geestelijk  huis  en  als  medeafstammelingen  uit  hetzelfde 
historisch  geslacht  geëerd  worden,  toch  moeter  duidelijk  op  gewe- 
zen, dioX  ZQ  kerkrcchleiijk <\\t  hun  voornemen  niet  voldongen  hebben. 
Een  hoogst  eenvondige  vergelijking  zal  dit  duidelijk  ma- 
ken. Stel  dat  ons  vaderland,  door  de  gevolgen  van  een 
grooten  Europeeschen  oorlog,  zijn  zelfstandigheid  inboette,  en 
'tzij  de  Pruisen,  'tzij  de  Franschen  aan  Nederland  een  heer- 
schappij en  constitutie  opdrongen,  die  te  eenen  male  met  de 
eere  van  ons  verleden  en  den  aard  van  ons  volk  in  strijd  was. 
Dan  zou,  gelijk  het  altoos  gaat,  de  onaandoenlijke  massa  zich 
schikken,  maar  de  echte,  trouwe  vaderlanders  zouden  zulk  een 
toestand  niet  kunnen  uithouden.  Zij  zouden  rusteloo.*  rea- 
geeren,  en  ten  leste  tot  het  besluit  komen,  om  <')f  het  laiul 
uit  te  trekken  (Separatie)  óf  oj)  omzetting  van  den  politieken 
toestand  bedacht  te  zijn  (Doleantie).  Denk  ik  nu,  dat  honderd 
duizend  personen  besloten  het  land  te  verlaten,  naar  een  ge- 
heel onbewoonde  streek  in  Afrika  togen,  daar  de  oud-Ne- 
derlandsche  constitutie  invoerden,  en  geheel  op  echt  Neier- 
landsche  wijze  een  staatsbestuur  inrichtten,  zóó  dat  zelfs  de  namen 


4(3  KEUKRECUTELTJKE  GEVOLGEN     DER    SEPARATIE. 

en  titels  geheel  eender  bleven;  dan  konden  deze  vrijw.llige 
ballingen  zich  ungetwijfeld  beroemen,  dat  ze  uit  trouw  aan  hun 
volksaard  en  uit  eerbied  voor  het  historisch  verleden  hunner 
vaderen  zich  zeer  groote  ofiFers  getroost  hadden ;  dat  ze  niet 
een  nieuw  volk  wilden  scheppen,  maar  het  oude  Nederlandsche 
volk  op  nieuw  erf  voor  algeheele  ontaarding  bewaren  en  tot 
nieuwen  bloei  brengen  wilden;  en  in  zekeren  zin  zouden  ze  dan 
kunnen  zeggen:  Wij  zijn  het  uitgeleide  deel  der  Nederlandsche 
natie.  Edoch,  hoe  volkomen  waar  dit  ook  in  historischeu  en 
nationalen  zin  zijn  zou,  slaat srechtelijk  zou  het  toch  geheel  anders 
staan.  Ook  al  leefden  ze  toch  onder  gelijke  wetten,  als  hier  eertijds 
golden,  de  grondslag  waarop  de  rechtsgeldigheid  dier  wetten  rustte, 
zou  niet  meer  de  Unie  van  Utrecht,  maar  hun  nieuw  gemaakt  accoord 
zijn,  en  formeel  zouden  ze  dus  als  een  nieuwestaatm  de  rij  derstaten 
optreden.  Men  ziet  het  aan  de  Transvaal,  waar  het  bijna  even- 
zoo toeging,  en  waarvan  toch  een  iegelijk  erkent  dat  het  met- 
terdaad een  nieuwe  slaat  is,  met  een  Staatsrecht,  waarvoor,  hoe 
historisch  ook  in  zijn  karaktertrekken,  nochtans  eerst  doorliet 
accoord  der  //trekkers"   de  Staatsrechtelijke  grond  gelegd  is. 

Welnu,  geheel  in  dezelfde  positie  verkeeren  de  Christelijke 
Gereformeerden.  Toen  onze  oude  kerk  overheerd  was  door  de 
invasie  van  het  Synodalisme,  hebben  zij  niet,  als  de  groote 
massa,  laöelijk  en  lijdelijk  in  dien  schriklijken  toestand  berust, 
maar  zijn  ze  vrijwillig  in  kerkelijke  ballingschap  gegaan,  om 
een  uitnemend  historisch  deel  uit  het  instituut  uit  te  leiden, 
en  dit  op  vrijer  erf,  weer  in  ouden  trant,  naar  de  costumen 
en  rechten  der  vaderen,  te  doen  leven.  Het  oude  leefde  weer 
op,  en  wat  ze  stichtten  waren  geen  kerken  van  nieuw  model, 
maar  kerken  van  het  oude  stempel.  Evenwel,  hoe  zonder 
aarzeling  dit  ook  wordt  toegegeven,  toch  nam  dit  het  nieuw- 
geformeerde  van  hun  kerkrechtelijken  toestaml  niet  weg. 
Ulrum,  en  enkele  andere  kerken,  toch  uitgezonderd,  hebben 
ze  niet  gezegd:  „Wij,  als  leden  van  het  in.stituut,  werpen  de 
ons  ojigedrongene  organisatie  af,  zoodat  voor  onze  plaatselijke 
kerk  de  rechtsgeldigheid  der  nimmer  wettig  afgeschafte  Kerken- 
ordening  van  1(519  weer  werken  gaat";  maar  ze  hebben,  na 
uitgetreden  te  zijn  en  als  zonder  kerkrechtelijken  band  zijnde. 


KERKRECHTELIJKE    GEVOLGEN    DER    SEPARATIE.  47 

door  hun  eigen  keus  en  wilsdaad  een  van  ouds  bekende  kerken- 
ordening  voor  hun  kerken  ingevoerd.  En  dat  wel  met  dien 
verstande,  dut  de  kerkenordening  van  1019  voor  hen  niet 
kerkrechtelijk  geldt  op  grond  van  het  feit,  dat  de  nationale 
Synoden  van  de  IG^l"  en  17^1*'  eeuw  haar  rechtsgeldig  invoer- 
den, zonder  dat  ze  ooit  wettig  haar  rechtsgeldigheid  verloor; 
maar  integendeel  op  grond  van  hun  eigen  besluit,  om  weder 
onder  deze  kerkenordening  te  gaan  leven.  JStel  wij  namen 
morgen  den  dag  de  Grondwet  van  België  over,  dan  zou  toch 
die  Grondwet  hier  niet  gelden  op  grond  van  wat  de  Staats- 
macht in  België  vaststelde,  maar  op  grond  van  ons  eigen  be- 
sluit. Al  namen  dan  ook  de  Christelijke  Gereformeerden  de  oude 
kerkenordening  over,  toch  rust  de  rechtsgeldigheid  van  deze 
kerkenordening  voor  hen  niet  op  wat  de  Synode  van  1010 
deed,    maar  op  grond  van  wat  zij   zelven  besloten. 

Spreekt  men  dus  van  tle  historische  kerk  der  vaderen,  dan  is 
ongetwijfeld  al  wat  in  de  Christelijke  Gereformeerde  kerk  leeft, 
uit  die  kerk  voortgekomen,  en  heeft  de  kerk  der  vaderen  zich  voor 
een  deel  in  deze  kerken  voortgeplant ;  ja  mag  en  moet  erkeml, 
dat  ook  door  de  Separatie  een  loot  van  dezen  historischen 
stam  voor  verdere  verkankering  bewaard  en  tot  nieuwe  uit- 
spruiting gekomen  is.  Zoolang  er  niet  van  de  geïnstitueerde 
kerken,  maar  van  de  Belijdenixki'rk  tier  historie  ^ki^n-o\n^n  worAt, 
dan  zijn  ook  zij  van  die  aloude  kerk  een  der  wettige  voort- 
zettingen, evengoed  als  de  kerken  onzer  vaderen  de  wettige 
voortzetting  waren  van  de  oude  Christelijke  kerken,  die  hier  eer- 
tijds onder  de  Rootnsche  hiërarchie  geformeerd  werden.  Maar 
kerkrechtelijk  geldt  dit  niet.  Zoo  men  op  de  geinsdfneerde 
kerken  komt,  hebben  zij  metterdaad  met  de  geïnstitueerde  kerken 
gebroken  en  de  oude  historische  kerken  in  nieunu'  iustifutfi/ 
pogen  voort  te  zetten.  Dit  blijkt  ook  daaruit,  dat  ze,  niet  lang 
na  hun  optreden,  zich  vrij  achtten,  om  in  de  door  iien  aan- 
genomen kerkenordening  allerlei  wijzigingen  aan  te  brengen. 
Want  wel  zijn  de  meeste  dezer  wijzigingen  later  weer  terug- 
genomen, maar  zoowel  dit  wijzigen  als  dit  later  terugnemen 
geschiedde  niet  uit  kracht  van  een  bevoegdheid,  die  uit  de 
Synode  van  1610  op  hen  gedevolveerd  was,  maar  krachtens  hun 
eigen  besluit,  dat  rustte  op  het  gemeen  accoord  en    ile  nieuwe 


48  STAATSRECHTELIJKE    GEVOLGEN    DER    SEPARATIE. 

stipulatiën,  waarop  ze  zich  met  elkander  badden  verbonden. 
Eu  nog  sterker  komt  dit  uit  in  bet  Synodaal  besluit  en  de 
besluiten  hunner  kerkeraden  in  zake  het  reglement  van  1869. 
Had  bet  toch  kerkrechtelijk  zóó  voor  hen  gestaan,  dat  de 
Dordsche  kerkenordeuing  vanzelf  gold,  uit  kracht  van  hetgeen 
in  1619  besloten  was,  dan  ware  bet  volstrekt  ondenkbaar  ge- 
weest, dat  hun  kerken  een  nieuwe  zeer  korte  kerkenordeninff  zou- 
den  hebben  ingevoerd,  die  eerst  als  zoodanig  bepalen  kwam  dat  de 
kerkenordeuing  van  IGÜ'zou  gevolgd  worden;  zou  gevolgd  worden 
onder  zekere  ristrictiën;  en  zulks  wel  met  bijvoeging  van  eenige 
bepalingen,  die  uitgingen  van  kerkrechtelijke  beginselen,  die 
met  de  beginselen  dezer  kerkenordeuing  van  1619  in  ouverzoenly- 
ken  strijd  zijn. 

Dit  nu  brengt  mij   vanzelf  t'jt  de  Staatsrechtelijke   en  burger- 
rechtelijke   gevolgen    der    Separatie.     Staatsrechtelyk    nam    de 
Overheid  in  1834  tegenover  de  actie  der  scheidenden  oorspron- 
kelijk het  echt  Roomsche  standpunt  in.  Eigenlijk  toch  betwistte 
men  hun  het  recht,   om  uit  het  instituut  uit  te  treden;  en  evenzoo 
wilde  men  hun  aanvankelijk  beletten  een  nieuwe  kerkformatie 
op  te  richten.  Doch  van  dit  geheel  onhoudbare  standpunt  ging 
de  Overheid,    onder  de  critiek  der  publieke  opinie,  al  spoedig 
af,  en  erkende  toen  wel  hun  recht  tot  uittreding  en  hun  recht 
om  zich  opnieuw  te  formeeren ;   maar  alleen  onder  beding,  dat 
zij    van    elke   pretentie,    als  waren  ze  een  voortzetting  van  de 
historische  kerk,  zouden  afzien.  Dit  nu  gaven  de  Gescheidenen 
aanvankelijk    niet    toe.     De    kerk,     zoo    spraken    ze,    volgt    de 
belijdenis;    wij    zijn  het,  die  de  historische  belijdenis  mee  uit- 
droegen ;    alzoo  komt  ons  de  titel  der  historische  kerk  en  dus 
ook  haar  goed  toe.  Hier  liep  blijkbaar  een  misverstand  onder, 
maar    een    misverstand,    dat  begrijpelijk  was.     Ze  redeneerden 
namelijk  uit  het  precedent,  dat  gegeven  was  in  de  16'^^^'  eeuw 
Toen    had    de   Overheid   beslist,  dat  de  titel  van  //Christelijke 
kerk^'    en    het  //goed"  der  Christelijke  kerk  de  ;/ware  religie^' 
volgde,    en    op    dien    grond    de    rechten     en    bezittingen    der 
Roomsche  kerk  aan  de  Gereformeerden  toegewezen.  En  zoo  nu 
ook,  dachten  de  Gescheidenen,  moet  het  thans  gaan.    Titel  eu 
goed  behooren  aan  de  //ware  religie".  Die  //ware  religie"  leeft 


STAATSRLCnrELIJKE    GEVOLGEN    DER    SEPARATIE.  49 

kerkelijk  bij  ons  Alzoo  moet  ,/titeI*  en //goed"  der  Christelijke 
kerk  ons  volgen.  Hierin  vergiste  men  zich  echter.  Eertijds 
namelijk  kon  de  Staat  zoo  oordeelen,  omdat  de  Overheid  zelve 
professie  deed  van  de  „ware  leligie";  als  Overheid  voor  de 
//ware  religie"  zorgde;  en  dus  het  gebruik  van  het  goed  gaf 
aan  wat  in  haar  oog  de  kerken  der  //ware  religie"  waren.  Maar 
in  1834  ging  dit  niet  meer  op.  De  Overheid  had  toen  ffecn 
professie  meer;  de  Overheid  zorgde  nie/  meer  voor  de  „ware 
religie^',  die  ze  als  de  Overheid  niet  meer  kennen  kon;  en  zoo 
waren  de  kerkelijke  instituten  tot  een  zelfstandige  rechtspositie 
in  den  Staat  gekomen;  tot  een  positie  met  eigen  titel  en  bezit. 
Hieruit  nu  volgde  dat  titel  en  eigendom  in  1834  niet  meer 
de  belijdenis  als  zoodanig  konden  volgen,  maar  alleen  die  belijdenis 
in  heur  kerkrechielijki'  geldigheid,  d.  w.  z.  als  l)elijdenis  der 
qeïnüUueerde  kerken.  Had  men  dus  in  1834  reformatie  van  de 
bestaande  geïnstitueerde  kerken  doorgezet,  gelijk  te  Ulrum, 
dan  voorzeker  had  men  zijn  Staatsrechtelijk  bedoelde,  maar 
feitelijk  Burger  rechtelijke  pretentie  op  titel  en  goed  kunnen 
handhaven ;  maar  thans,  nu  men  het  instituut  den  rug  had  toe- 
gekeerd, en  f  en  «/<;//«■<' kerkfoimatie  geinstitueerd  had,  ;//('/ meer. 
Uit  den  strijd  ten  bate  dezer  pretentie  gevoerd,  blijkt  dan 
ook  wel,  dat  men  eigenlyk  iets  anders  tjedoelde,  clan  wat  men 
kerkrechtelijk  gedaan  had ;  maar  het  kon  niet  anders,  of  aan 
deze  edeler  bedoeling  moest  almeer  door  do  onverbiddelijke 
consequentie  van  het  standpunt,  dat  men  kerkrechtelijk  innam, 
het  zwijgen  worden  opgelegd  ;  en  de  du&genoemde  „afstand*  wa.s 
feitelijk  niets  dan  een  andere  uitdrukking  voor  wat  men  doOp 
de  daad  der  uittreding  uit  het  instituut  reeds  voor  jaren 
gedaan  had.  Staatsrechtelijk  kon  men  in  dien  toestand  op 
niets  anders  bedacht  zijn,  dan  op  de  erkenning  door  de  Over- 
heid als  nieuw  geformeerd  in.stituut.  Die  erkenning  is  dan  ook 
gezocht;  maar  bij  dat  zoeken  stuitte  men  op  tweeërlei  moeie- 
lijkheid.  Vooreerst  hierop  dat  de  erkenning  van  nieuw  gein. 
stitueerde  kerken  in  ons  Stiiatsrecht  geheel  ongeregeld  is;  en 
ten  andere  dat  men  in  het  onzekere  verkeerde,  of  deze  erken- 
ning aHcen  voor  elke  plaatselijke  kerk  afzonderlijk,  of  ook  voorde 
„saaravergadering  der  kerken"  moest  gezocht.  Wat  het  eerste 
punt  betreft,  had   men  sinds    18r)3  en    I8r).')  de  keuze,  om  óf  als 

4 


50  STAATSRECHTELIJKE    GEVOLGEN    DER    SEPARATIE. 

gewone  Vereeniging  zich  door  een  speciale  wet  te  laten  er- 
kennen, of  wel  als  //kerkgenootschap*  op  te  treden ;  iets  wat 
onze  vaderen  niet  hebben  gekend.  Hierbij  koos  men  het  laatste; 
en  had  men  zich  hierbij  bepaald  tot  de  //plaatselijke  kerken" 
afzonderlijk,  dan  ware  er  minder  gevaar  geweest.  Maar  ach- 
ten Ie  dat  het  toch  ook  wenschelijk  was,  om  óók  als //bond  van 
kerken"  erkend  te  zijn,  ging  men  er  toen  te  kwader  ure  toe 
over,  om  alle  kerken  saam  als  èé}i  kerkgenootschap  aan  te  dienen, 
waarvan  de  plaatselijke  kerken  slechts  de  gesplitste  onderdeden  zouden 
zijn.  Immers  eischte  de  wet  van  1853  dat  men  beleden  en  het 
hesttmr  van  dit  landsgenootschap  zou  aanwijzen.  En  zoo  kwam 
toen  het  reglement  van  18G9  in  de  wereld,  dat  de  leden  der 
plaatselijke  kerken  met  inbegrip  van  de  gedoopten,  tot  leden 
van  het  ééne  groote  landsgenoot  schap  maakte,  en  werd  men  al  zoo, 
geheel  in  strijd  met  den  geest  en  de  beginselen  der  aloude 
Gereformeerde  kerkenordening,  zonder  het  te  weten  of  te  bedoe- 
len, in  dit  opzicht  collegiaal. 

Deze  stap  volgde  intusschen  niet  uit  het  beginsel  der  Schei- 
ding, maar  druischte  er  tegenin.  Niet  alsof  men  plaatselijk  in  een 
//kerkelijke  kas"  of  soortgelijke  vereeniging  een  redmiddel  had 
moeten  zoeken.  Wie  met  het  instituut  gebroken  had,  en  als 
nieuw  instituut  was  opgetreden,  kon  zich  zeer  wel  als  nieuw 
plaatselijk  instituut  laten  erkennen.  Dit  lag  zelfs  op  de  lijn 
der  Scheiding.  Maar  nooit  had  men  bij  de  Overheid  als  bond 
van  kerken  een  andere  erkenning  mogen  zoeken,  dan  op  den 
grondslag  van  het  zelfstandig  bestaan  der  plaatselijke  kerken  als 
kerkgenootschappen,  in  den  zin  der  Wet  van  1853.  Of  de  Over- 
heid hiervoor  een  vorm  zou  hebben  kunnen  vinden,  is  een  vraag 
die  thans  niet  kan  beantwoord.  Slechts  sta  vast,  1"  dat  een  nieuw 
geformeerde  kerk  de  lijn  der  Scheiding  niet  verlaat  door  zich 
plaatselijk  als  kerkgenootschap  aan  te  dienen  ;  en  ten  2°  dat 
men  door  alle  plaatselijke  kerken  individueel  in  één  kerk  op 
te  smelten  en  als  één  kerkgenootschap  in  den  zin  der  wet 
van  1853  te  laten  erkennen,  het  beginsel  zelf  van  de  Scheiding 
prijs  geeft.  Het  beginsel  der  Scheiding  toch  was  niet  een  actie  van 
boven  af,  maar  een  actie  uit  de  plaatselijke  kerken;  en  wel  deze 
actie  geleid  in  gehoorzaamheid  aan  de  kerkrechtelijke  beginselen, 
gelijk    die    in  de  kerkenordening  van  1619  belichaamd  waren. 


KERKRECHTELIJKE    GEVOLGEN'    DER    DOLEANTIE.  51 

Geheel  anders  daarentegen  staat  het  met  de  kerkrechtelijke 
gevolgen  der  Ihleantie.  Bij  de  bespreking  hiervan  ga  ik  uit 
van  de  navolgende  onderfe;tellingen :  1".  dat  zij  die  ten  deze 
gehandeld  hebben,  handelden  in  hun  qualiteit  van  leden  eener 
geïnstitueerde,  maar  in  allerlei  opzicht  diep  bedorven  kerk  ; 
en  wel  óf  als  „kerkeraadsleden",  óf  als  //geloovigen''  in 
kerkrechtelijken  zin,  en  dus  in  het  laatstgenoemde  geval  na 
oproeping  van  alle  nog  belijdende  „leden  der  geïnstitueerde 
kerk''.  2"  Dat  de  handeling  als  zoodanig  bestaan  heeft  in  het 
ambtelijk,  krachtens  rechten  en  bevoegdheden  uit  het  instituut 
der  kerk  voortgevloeid,  declareeren,  dat  de  wettelijk  nooit  af- 
geschafte kerkenordening  van  1619,  wier  werking  tijdelijk  door 
een  onbevoegde  macht  gesuspendeerd  was,  alsnu  weer  in  wer- 
king trad.  En  3"  dat  dit  in  werking  zetten  van  de  eenige  nog 
altoos  geldende  kerkenordening  aan  de  Overheid  des  lands  ge- 
meld is,  en  de  maatregelen  genomen  zijn  om  bij  het  woord  de 
daad  te  voegen.  Hiermee  beweer  ik  dus  niet,  dat  overal  juist 
en  goed  is  gehandeld ;  en  wil  zelfs  aannemen  dat  er  gevallen 
aanwijsbaar  zijn,  waarin  de  iiistitutaire  band  door  onbedacht- 
zaamheid is  doorgesneden;  maar  bij  de  kerkrechtelijke  gevolgen 
der  Doleantie  komen  deze  exceptiën  niet  in  aanmerking.  Dit 
zijn  onregelmatigheden,  die  in  elk  bijzonder  geval  afzonderlijk 
moeten  beoordeeld  worden.  Bepaal  ik  mij  alzoo  tot  het  normale 
verloop,  dan  heeft  men  drieërlei  gevallen  te  onderscheiden  :  P. 
het  geval,  van  geïnstitueerde  kerken,  waar  de  kerkeraad  van 
het  instituut,  bij  kerkeraadsbesluit,  tot  reformatie  overging,  gelijk 
te  Voorthuizen,  liotterdam  en  elders  ;  2*^  het  geval  van  geïn- 
stitueerde kerken,  waarin  kerkeraadsleden  handelend  optraden, 
maar  zonder  dat  de  kerkeraad  als  college  medewerkte  ;  en  3*> 
het  «xeval  van  jxeïnstitueerde  kerken,  waarin  noch  de  kerkeraad 
noch  eenig  kerkeraadslid  den  stoot  gaf,  maar  de  //leden"  der 
kerk  handelden  krachtens  het  kerkrechtelijk  ambt  der  //geloo- 
vigen."  Wat  nu  de  hoofdzaak  betreft  zijn  de  rechtsgevolgen 
van  deze  daad  in  kerkreclitelijken  zin  voor  al  deze  drie  gevallen 
dezelfde,  en  komen  ten  principale  neder  o\)  de/e  drie. 

Ten  eerxtc  is  de  geïnstitueerde  kerk  in  Doleantie  hetzelfde 
kerkelijk  instituut  gebleven  als  vóór  de  Doleantie.  Of  de  Over- 


52  KEUKllECHTELIJKE    GEVOLGEN    DEU    DOLEANTIE. 

heid  dit  weigert  te  erkennen  is  de  vraag  niet;  evenmin  of 
de  rechter  weigert  den  burgerrechtelijken  eisch,  die  op  grond 
van  deze  identiteit  van  instituut  wordt  ingesteld,  ons  toe  te 
Avijzen ;  en  veel  minder  nog  of  de  Synodale  organisatie,  met 
welke  de  breuke  plaats  greep,  deze  identiteit  volstrekt  loochent 
en  ons  als  scheurkerk  dittameert.  De  vraag  of  het  instituut  der 
doleerende  kerk  nog  hetzelfde  is  als  vóór  de  Doleantie  kan  en 
mag  in  kerkrechtelijken  zin,  omdat  de  te  reformeeren  kerk 
een  y Gereformeerde ''  was,  niet  anders  dan  uit  de  beginselen 
van  het  Gereformeerde  kerkrecht  beantwoord  ;  iets  wat  voor  ons 
gelijk  staat  met  een  beslissing  uit  Gods  Woord,  naardien  wij 
erkennen  en  belijden  dat  deze  beginselen  uit  Gods  Woord  ge- 
nomen zijn.  Staat  het  nu  op  grond  van  Gods  Woord  en  uit 
kracht  van  die  beginselen  vast,  dat  de  kerk  in  haar  eenheid 
nooit  anders  dan  plaatselijk  kan  zijn  ;  dat  van  elke  kerk  de 
plicht  tot  reformatie,  zoodra  ze  gedeformeerd  wierd,  onafschei- 
delijk is ;  en  dat  de  verplichting  tot  reformatie  van  het  instituut 
wel  in  de  eerste  plaats  op  de  voorgangers,  maar,  zoo  deze  stil- 
zitten, ook  op  de  ,/geloovigen'' rust;  —  dan  is  het  kerkrechtelijk 
hiermee  op  Gereformeerd  terrein  boven  allen  twijfel  verheven, 
dat  reformatie  de  continuïteit  van  het  instituut  niet  breekt; 
en  alzoo,  deze  continuïteit  niei  gebroken  zijnde,  het  instituut 
in  zijn  wezen  identiek  is  gebleven.  En  is  dit  zoo,  dan  ligt  hierin 
opgesloten,  dat  elke  doleerende  kerk,  die  zich  gedraagt  en  aan- 
stelt als  ware  ze  een  niemve  formatie,  hiermede  haar  eigen 
daad  te  niet  doet ;  en  kan  er  dus  niet  genoeg  op  gewerkt,  om  het 
besef  levendig  te  houden,  dat  de  geïnstitueerde  kerk  van  vroeger 
nog  altoos  dezelfde  is,  als  die  waarin  men  eertijds  leefde. 

Hierin  nu  lisjt  tevens,  dat  de  reformatie  van  het  instituut 
niet  anders  mag  opgevat  dan  als  een  reformatie  van  het  ^<?^ce/e 
instituut ;  en  zulks  wel  in  dien  strengen  zin,  dat  het  geheele  in- 
stituut, gelijk  dit  op  dat  oogenblik  bestond,  van  onder  de  organisa- 
tie van  ISIQ  geheel  is  uitgebracht  en  daarmee  %/>/*  meer  uitstaande 
heeft.  Stel  dus,  een  geïnstitueerde  kerk  had  op  den  dag,  waarop  men 
tot  reformatie  overging,  10,000  leden,  dan  moest,  hetzij  de 
reformeerende  hetzij  de  nieuw  opgetreden  kerkeraad,  ook  deze 
10.000  leden,  voor  zooveel  hem  aanging,  in  de  gezegende  ge- 
volgen der  reformatie  laten  deelen.  Hij,  als  kerkeraad  had  geen  en- 


KERKUECHTELIJKE    GEVOLGEN    DER    DOLEANTIE.  53 

kei  recht,  om  personen,  die  eenmaal  door  belijdenis  en  stipulatiën 
als  leden  der  geïnstitueerde  kerk  erkend  waren,  ter  oorzake 
der  n  formatie  als  /iie/-\eden  te  beschouwen.  Zelfs  wat  het 
heilig  Avondmaal  aangaat  moest  hij  als  toegelaten  tot 
het  heilig  Avondmaal  blijven  erkennen,  al  irle  toegelaten 
tcas.  Wel  behield  hij  het  recht,  ja,  rustte  in  verhoogde 
mate  op  hem  de  plicht,  om  leden  die  in  strijd  met  de  sti- 
pulatiën verkeerden  of  handelden,  onverwijld  te  schorsen  in  de 
uitoefening  van  hun  rechten  of  ook  uit  de  geïnstitueerde  kerk 
uit  te  bannen;  maar  ook  dan  worden  deze  geschorst  en  geban- 
nen als  zijnile  leden,  en   dus  ijualifale  (jiid. 

Evenzoo  stond  het  met  de  ambtsdragers.  Wie  een  ambt  in 
de  geïnstitueerde  kerk  bekleedde,  bleef  in  dat  ambt  ook  na  de 
reformatie,  zoolang  totdat  hij  dit  óf  vrijwillig  neerlegde,  öf 
er  uit  ontzet  werd. 

En  niet  anders  eindelijk  was  het  met  ,/titel"  en  //eigendom" 
gelegen.  Het  instituut  bleef  zijn  titel  van  ,/Nederduitsche  Ge- 
reformeerde kerk"  behouden,  en  veranderde  het  Hervormde 
alleen  daarom  in  „Gereformeerde'' omdat  de  kerkenordening  alleen 
den  titel  van  //Gereformeerde"  kent.  Waar  men  in  bet  bezit  van 
het  goed  was,  mocht  men  dus  ook  het  goed  van  het  identiek 
gebleven  instituut  niet  prijsgeven,  dan  op  last  van  den  rechter; 
en,  ook  waar  men  dit  op  last  van  den  rechter  opgaf,  mocht 
men  dit  nooit  doen  dan  onder  uitirukkelijk  voorbehoud  van  al 
zijn  rechtt-n  ;  o:n  de  eenvoudige  reden,  dat  een  instituut,  dat 
hetzelfde  l)lijlt,  ook  als  eigenaar  zich  in  gelijken  zin  als  voor 
de  reformatie  moest  blijven  gedragen. 

In  de  in-t'e.ile  plaats  was  een  kerkrechtelijk  gevolg  der  refor- 
matie van  het  instituut,  dat  door  die  daad  zelve  het  kerkver- 
band met  andere  kerken,  voor  zooveel  dit  uit  de  organisatie  van 
181G  voortvloeide,  te  eenenmale  verbroken  was,  en  daarentegen 
het  kerkverband  met  alle  kerken,  die  uit  kraciit  der  nog  onge- 
broken geldigheid  van  de  Dordtsche  kerkenord»aiing  handelen 
gingen,  eo  ipxo  vastlag.  Rechtens  kon  wel  de  eisch  tot  kerkverband 
aan  alle  kerken,  die  ooit  onder  deze  kerkenordening  gestaan 
hadden,  gesteld;  maar  feitelijk  kon  er  geen  ander  kerkverband 
werken,  dan   met  de  kerken,  die  eveneens  haar  instituut  refor- 


54         KERKEECHTELIJKE  GEVOLGEN  DER  DOLEANTIE. 

meerden  on  de  oude  stipnlatiën  van  kerkverband  vernieuwden. 
Attestatiën  b.  v.  van  kerkeraden,  die  nog  onder  de  organisatie 
van  1816  bleven,  misten  van  dut  oogenblik  af  rechtsgeldige 
kracht.  Wie  ze  aannam,  nam  ze  aan  omdat  hij  er  een  zedelijke 
waarde  aan  toekende,  afgaande  op  de  onderteekenaren ;  maar 
rechtsgeldige  attestatiën,  die  alleen  uit  kracht  van  het  contrac- 
tueele  kerkverband  gelden  kunnen,  waren  ze  niet.  Alle  overige 
geïnstitueerde  kerken,  die  nog  naar  de  organisatie  van  1816 
bleven  leven,  waren  van  het  oogenblik  der  Doleantie  af,  kerkelijke 
instituten  van  bedorven  gestalte,  waarmee  men  in  geen  verband 
hoegenaamd  stond;  ook  al  bleef  men  op  grond  der  Dordsche 
kerkenordening  den  eisch  op  deze  instituten  behouden,  dat 
ook  zij  zich  reformeeren  zouden,  en  ook  al  was  men  gehouden, 
na  tot  stand  gekomen  reformatie,  het  kerkverband  ook  met 
deze  kerken,  als  in  de  Dordsche  kerkenordening  wortelende, 
eo  ipso  te  erkennen  en  te  doen   werken. 

Het  derde  gevolg,  en  hierop  is  veel  te  w^einig  gelet,  was, 
dat  niet  in  geestelijken,  maar  in  kerkrechtelij  ken  zin  derefor- 
matie van  het  instituut  aan  elk  lid  van,  of  ambtsdrager  in  dit 
instituut,  de  keus  stelde,  of  hij  al  dan  niet  zijn  stipulatiën  be- 
schouwen wilde  als  in  het  op  nieuw  gereformeerde  instituut  door- 
gaande. Want  zoo  waar  als  het  is  dat  noch  een  kerkeraad  noch  de 
//geloovigen"  hun  instituut  ooit  anders  reformeeren  kunnen, 
dan  op  beding  dat  dit  voor  heel  het  instituut  gelde,  even  waar 
is  het,  dat  niemand  kan  gedwongen  worden,  om  tegen  zijn 
wil  uit  het  instituut,  gelijk  het  was,  in  het  verbeterde  instituut 
te  worden  overgebracht.  Dit  te  wanen  ware  de  insluiping  van 
het  Roomsche  kerkrechtelijk  beginsel  en  de  uitdrijving  van  het 
Gereformeerde  beginsel.  Voor  ons  moet  de  geïnstitueerde  kerk, 
gelijk  Voetius  het  noemt,  altoos  zijn  en  blijven  de  socif/as 
lihere  inita,  d.  i.  een  vrijwillig  aangegane  gemeenschai).  En 
nu  moge  het  in  geestelijken  zin  duizendmaal  zonde  voor  iemands 
ziel  en  schuld  voor  God  zijn,  zoo  hij  wol  lid  wil  zijn  van 
een  ge^/rformeerde  kerk,  die  in  strijd  met  Gods  Woord  staat, 
en  van  dit  instituut  niet  meer  wil  weten,  als  het  om  Gods 
Woord  meer  nabij  te  komen,  in  gestalte  veranderd  is;  maar 
A-crkrechtelijk    kan    dit    nimmer    zijn    recht   vernietigen    om  de 


K  ERKllECnTELIJKE    GEVOLGEN    DER    DOLEANTIE.  55 

gefjeven    stipulatiën    alleen   te  laten  gelden  voor  het  instituut 
in  dien  voiin,  waarin  dit  bestond,  toen  hij  zijn  sti|Hilatiën  gaf. 
Bezat    hij   nu  formi'el  het  recht,  om,  zoo  hem  dit  goed  dacht» 
zijn  band    niet  dit  instituut  te  verbreken,  ook  al  ware  dit /7('W(??;e» 
wat    het    was,    dan    mag    wie    het  tnecrih-rc  kan  doen  ook  het 
mindere    ten    uitvoer  brengen,  en  is  hij   dus  kerkrechtelijk  ook 
bevoegd    om,    zoo    het    instituut    ouders    wierd    dan    het    was, 
zijne    stipulatiën    als  vervallen  te  beschouwen.     Verklaart    dus 
iemand    feitelijk,    stilzwijgend,    in    woorden  of  schriftelijk,  dat 
hij   voortaan   niet  meer  als  lid  van  het  instituut  in  deze  nieuwe 
gestalte  wil  beschouwd  worden,  dan    moge    de  kerkeraad   hem 
daarom    niet    opgeven,    en    hem    vermanen,  ja  dringen  bij  de 
liefde  Gods ;  maar  dit  alles  neemt  niet  weg,  dat  wie  niet  langer 
tot    deze  veranderde  geïnstitueerde  kerk  wil    gerekend  worden, 
er    ook    niet    langer    toe    behoort    als    lid  der   kerkrechtelijke 
gemeenschap  ;  en  dat  de  kerkeraad  op  den  zoodanige  elk  recht 
van     kerkelijke    gezagsuitoefening    heeft    verloren.   Dit  kan  en 
mug    niet    anders  voorgesteld,  omdal  elke  andere     voorstelling 
de  '  „libertas     Christiana''     vernietigt,    en     onverbiddelijk    den 
Roomschen  weg  opdrijft.  En  zoo  is  dan  de  wederzijdsche  ver- 
houding   deze,  dat  de  kerkeraad  een  ieder  die  lid    Avas    op  het 
oogenblik  der  reformatie  zijnerzijds  als  lid  in  de  gemeenschap 
moet  toelal en.  behoudens  zijn  recht  van  en  plicht  tot  schorsing 
en    uitbanning;    maar    dat  elk  lid  van  het  instituut  voor  zich 
formeel  in  rechten  de  bevoegdheid  heeft,  om,  na  de  tot  stand 
gekomen    reformatie,    zijn  gegeven    stipulatiën    als   verrallen  te 
beschouwen,  en  zich  niet  langer  als  lid  dezer  veranderde  geïn- 
stitueerde   kerk    te    gedragen.    Iets    wat  a  fortiori  ook  van  de 
ambtsdragers  geldt. 

Het  was  daarom  juist  gezien,  dat  de  Doleerende  kerken  niet 
tot  .schorsing  of  ontzetting  zijn  overgegaan  van  die  ambts- 
dragers, die  feitelijk  hun  stipulatiën  terugnamen  en  de  gemeen- 
schap met  het  instituut  afbraken,  liet  was  Gereformeerd  ge- 
handeld, dat  ze  zich  onthielden  van  kerkelijk  gezagsvertoon 
tegenover  die  leden  van  het  instituut,  die  duidelijk  te  kennen 
gaven  dat  zij  zich  uit  het  instituut  terugtrokken.  En  het  was 
evenzoo  practisch  juist  gehandeld,  dat  men  de  leden  uitnoodigde 
door    persoonlijke    verklariug   zich  uit  te  spreken.     Want  wel 


56         KERKKECUTELIJKE  GEVOLGEN  DER  DOLEANTIE. 

lag  in  dit  laatste  niet,  dat  wie  zich  nu  niet  aanstonds  uitsprak, 
als  lid  verviel,  maar  zoo  wierd  toch  eenige  scheiding  gemaakt 
tusschen  de  leden,  die  toonden  prijs  te  stellen  op  hun  duurzaam 
deelgenootschap  aan  het  thans  gezuiverde  instituut,  en  die 
anderen  die  of  feitelijk  er  meê  braken  of  nog  aarzelden,  en 
eerst  later  tot  beslissing  zouden  komen. 

Ik  kan  mij  dan  ook  nauwelijks  voorstellen,  dat  iemand  deze 
mijne  stelling  betwisten  zal.  Als  morgen  den  dag  mijn  kerkeraad 
het  instituut  van  Gereformeerd  Arminiaansch,  Baptistisch  of 
Luthersch  maakt,  dan  vorm  ik  met  mijn  medeleden  toch  geen 
kudde  schapen,  over  wier  kerkelijk  leven  de  kerkeraad  naar 
goedvinden  beschikt.  Kan  ik  mij  te  allen  tijde  uit  een  kerkelijke  ge- 
meenschap terugtrekken,  waarom  zou  ik  dit  dan  ook  niet  kunnen 
doen  op  het  oogenblik  dat  men  het  instituut  verandert,  waar 
toch  juist  die  verandering,  die  de  kerkeraad  refonnaiie  noemt, 
in  mijn  oog  deformatie  kan  wezen.  Xog  eens,  in  geestelijken 
zin  is  en  blijft  het  natuurlijk  zonde,  in  een  instituut  te  blijven 
zoolang  het  met  Gods  Woord  in  strijd  is,  en  er  uit  te  loopen 
als  het  zich  naar  Gods  Woord  reformeert,  maar  kerk recJi lelijk 
moet  aan  elk  lid  zijn  recht  en  keuze  vrij  en  onverlet  blijven.  Wie 
blijft  moet  blijven  op  grond  van  zijn  overtuiging  en  van  's  Heeren 
wil,  en  wie  dat  meent  niet  te  kunnen,  heeft  formeel  het  recht 
om  heen  te  gaan.  Alleen  zou  men  de  vraag  kunnen  opwerpen, 
of  de  kerkeraad  niet  het  recht  had  van  hen  die  gaan  willen 
een  scJirifh'lijke  verklaring  te  vergen;  maar  daargelaten  dat 
mannen  als  Voetius  hier  ook  de  stilzwijgende,  feitelijke  ver- 
klaring gelden  laten,  zoo  ligt  het  in  den  aard  der  zaak  dat 
wie  de  rechtmatigheid  van  de  daad  der  reformatie  betwist, 
zulk  een  verklaring  niet  kan  geven.  Voor  hem  toch  staat  de 
vraag  zoo,  dat  de  dusgenaamde  reformatie  in  zijn  oog  een 
schisma  was,  en  hij  in  het  oude  instituut  bleef.  Hij  beweert 
dus  niet  te  breken,  maar  te  blijven  waar  hij  is;  en  omge- 
keerd houdt  hij  staande,  dat  de  Doleerenden  uit  de  gemeen- 
schap traden  en  een  schismatieke  gemeenschap  oprichtten. 

Hiermee  echter  hebben  de  //geloovigen",  die  het  instituut 
tot  reformatie  brachten,  niet  te  rekenen.  Zij  moeten  handelen 
naar  de  beginselen  van  hun  eigen  belijdenis.  En  dan  komt  de 
zaak  b.v.  te  Amsterdam  hierop  neer,  dat  oj)  10  December  188G 


KERKRECHTELIJKE    GEVOLGEN    DEK    DOLEANTIE.  57 

door  de,  krachtens  Gereformeerd  kerkrecht,  daartoe  bevoegden 
het  instituut  der  kerk  losgemaakt  is  van  de  Synodale  organi- 
satie van  181G  voor  allen  die  op  10  December  1880  door  sti- 
pulatie in  de  gemeenschap  van  dit  instituut  als  membra  com- 
pleta  erkend  waren,  ongeveer  50.0(l0  in  aantal.  Dat  de  alstoen 
opgetreden  kerkeraad  krachtens  de  vroeger  gemaakte  stipulatiën 
kerkrechtelijk  geht»uden  was,  elk  onder  stipulatie  aangenomen 
lid,  als  lid  te  blijven  erkennen  behoudens  zijn  recht  en  plicht, 
om  door  schorsing  en  ban  voor  de  zuiverheid  der  kerk  te 
waken.  Dat  toen  een  deel  der  leden  zich  verklaard  hebben  indien 
zin,  dat  zij  op  het  voortdurend  genot  van  deze  kerkelijke  ge- 
meenschap prijs  stelden.  Dat  een  misschien  grooter  deel,  waar- 
onder vele  ambtsdragers,  feitelijk  verklaard  hebben,  met  het 
aldus  gezuiverde  instituut  niets  meer  van  doen  te  willen  hebben  ; 
over  welke  de  kerkeraad  alzoo  geen  kerkrechtelijk  gezag  meer 
kon  uitoelenen.  En  dat  een  moeielijk  te  bepalen  deel  niets 
van  zich  merken  liet,  zoodat  het  den  kerkeraad  nog  altoos 
onbekend  is,  of  deze  al  dan  niet  in  de  voorrechten  van  het 
gezuiverde  instituut  willen  blijven  deelen.  Zij  nu,  die  dui- 
delijk getoond  hebben,  niet  langer  als  leden  van  het  gezui- 
verde instituut  te  willen  gerekend  worden,  hebben  zich  toen 
van  het  oude  Instituut  afgescheiden,  feitelijk  een  nieuw  schis- 
matiek instituut  opgericht,  en  hebben  dat  nieuwe  instituut 
in  rechten  aan  de  Synodale  organisatie  van  1810  verbonden. 
Met  dit  •  nieuwe  schismatieke  instituut  nu,  dat  de  ken- 
merken van  de  ware  kerk  mist,  heeft  het  oude  en  tot 
zuiverder  gestalte  gebrachte  instituut  niets  meer  uitstaande. 
Van  dit  instituut  kunnen  noch  mogen  attestatiën  aangenomen 
worden,  en  wie  zegt  bij  dat  instituut  belijdenis  te  hebben  ge- 
daan, moet  niettemin,  als  stond  hij  nog  geheel  buiten  alles, 
wat  men  noemt,  zijn  belijdenis  overdoen.  Waaruit  resulteert 
dat  het  instituut  dat  in  Doleantie  ging,  nu  daargelat»Mi  zijn 
geestelijke  verplichting  jegens  afgedoolden  en  zijn  ten  deele  amb- 
telijke roeping  jegens  alle  g<'doopten,  kerkrechtelijk  d.  i.  voor 
wat  de  geïnstitueerde  kerk  betreft,  t/tana  reeds  lang  niet  meer  be- 
staat uit  alle  leden,  die  er  op  10  December  1880  deel  van 
uitmaakten,  maar  alleen  uit  die  leden,  die  óf  van  hun  instem- 
ming   met    het    werk    der    reformatie    lieten    blijken,    óf  <»ni- 


58  STAATSRECHTELIJKE    GEVOLGEN    UEtt    DOLEANTIE. 

trent  wier  wilskeuze  nog  niet  bleek.  Alsook,  dat  de  velen  die 
feitelijk  met  dit  instituut  braken,  daartoe  kerkrechtelijk  niet 
meer  mogen  gerekend  worden,  en  thans  te  beschouwen  zijn 
als  leden  van  een  nieuw  door  hen  opgericht  S^-nodaal  insti- 
tuut. Dit  zou  minder  duidelijk  zijn  gebleken,  als  niet  in  den 
aanvang  van  dit  vlugschrift  breedvoerig  het  ontstaan,  het  wezen, 
de  continuatie  en  de  reformatie  van  de  geïnstitueerde  plaatse- 
lijke kerk,  naar  den  regel  der  Gereformeerde  kerkregeering, 
beschreven  ware;  maar  nu  die  uiteenzetting  tot  in  bijzonder- 
heden wierd  gegeven,  en  bij  de  tegenstelling  tusschen  het 
Roomsche,  Sektarische  en  Gereformeerde  kerkrecht  ten  deze  het 
juiste  licht  viel,  is  twijfel  niet  wel  mogelijk  en  houdt  alle  onzeker- 
heid over  de  te  volgen  gedragslijn  op.  Os.  Hogerzeil  en  Ds.  Vosc.  s. 
hebben  duidelijk  getoond  hun  vroegere  stipulatiën  als  vervallen  te 
beschouwen,  en  de  kerkeraad  der  Nederduitsche  Gereformeerde 
Kerk  mist  alzoo  het  recht  eenig  kerkelijk  gezag  over  hen  uit 
te  oefenen.  Zij  hebben  thans  een  nieuw  schismatiek  instituut 
opgericht,  dat  ze  weer  aansloten  aan  de  Synodale  organisatie. 
En  wat  we  nu  ook  nog,  naar  Christenplicht,  doen  mogen,  om 
hen  van  hun  doolweg  terug  te  brengen,  kerkrechtelijk  staan  we 
met    hen    in  niet  de  minste  gemeenschap  meer. 

De  S/aalsrechielijke  en  Burgerrechtelijke  gevolgen  der  Do- 
leantie vloeien  van  zelve  voort  uit  het  feit,  dat  geen  nieuw 
instituut  opgericht,  maar  een  bestaande  geïnstitueerde  kerk  tot 
reformatie  gebracht  is.  Op  grond  toch  van  dat  feit  moe.sten 
wij  van  de  Overheid  blijven  eischen,  dat  we  als  de  continuatie 
van  het  aloude  instituut,  en  dus  als  rechthebbenden  op  den 
titel  van  dat  instituut,  erkend  worden.  Hier  stonden  dus  voor 
de  Overheid  twee  pretentiën  tegenover  elkander.  Eenerzijds 
ome  pretentie,  dat  wij,  blijkens  de  naar  Gereformeerde  begin- 
selen tot  stand  gebrachte  reformatie  van  het  instituut,  recht 
hadden  op  wat  bestond;  en  daartegenover  de  pretentie  der 
Si/}wdale7i,  dat  zij  de  continuatie  van  het  oude  instituut  waren, 
en  wij  een  schismatieke  nieuwe  vereeniging.  Staande  tegenover 
deze  beide  pretentiën  heeft  onze  Overheid  toen  roor  de  Synode  en 
Zegen  ons  partij  gekozen.  Hierin  nu  heeft  de  Overheid,  naar 
onze  innigste  overtuiging,  gezondigd.  Ze  kwam  tot  deze  zondige 


BURGEBRECHTELIJKE  GEVOLGEN  DER  DOLEANTIE.         59 

conclusie  doordien  ze  onze  Gereformeerde  kerken  naar  de  regelen 
van  een  gewoon  //zedelijk  lichaam*  beoordeelde,  en  dus  niet 
rekende  met  haar  eigen  aard,  waardoor  ze  aan  Christus  als 
haar  Koning,  aan  de  Heilige  Schrilt  als  zijn  Woord,  en  aan  de 
Belijdenis  als  het  getuigenis  harer  ziele  verbonden  is.  Als  goede 
Calvinisten  voeren  we  intusschen  tegen  deze  daad  der  Over- 
heid geen  ander  dan  lijdelijk  vcrzd,  d.  w.  z.  we  onderwerpen 
ons,  maar  voegen  ons  niet;  en  blijven  onze  pretentiën  o|)  grond 
van  Gods  Woord  onverzwakt  en  onvtriniiiderd  handhaven;  en 
liever  getroosten  we  ons  het  gebrekkige  wat  aan  een  hulp- 
middel als  de  „Kerkelijke  Kas"  altoos  kleven  zal,  dan  ons  eerst- 
geboorterecht  voor  een  erkenning  als  nieuw  geformeerd  in- 
stituut te  verkoopen.  Morgen  den  dag  zal  elke  Uoleerende  kerk 
door  de  Overheid  erkend  worden,  zoo  ze  zich  slechts  als  nietiw 
instituut  aandient;  maar  dut  juist  mogen  onze  kerken  niet. 
Ook  plaatselijk  mogen  irij  ons  dus  niet  als //Kerkgenootschap" 
laten  boeken.  Daarom  blijven  we  dan  ook  kerken  in  Doleantie. 
Een  Doleanlie,  die  dan  eerst  weg  zou  vallen,  zoo  óf  de  Overheid 
ons  als  continuatie  van  het  oude  instituut  wilde  eeren,  of  wel  onze 
kerken  haar  beginsel  prijs  gaven  en  den  band  met  het  verleden 
doorsneden.  Voor  de  Christelijke  Gereformeerden  daarentegen, 
die  den  weg  van  Separatie  en  nieuwe  formatie  insloegen,  bestaat 
dit  bezwaar,  pludtselijk  althans,  niet.  Zij  kunnen  plaatselijk  een 
Kerkgenootschap  vormen  londer  hun  beginsel  prijs  te  geven. 
Maar  de  Doleerende  kerken  kunnen  dat  niet. 

En  hiermede  is  onze  burgerrechtelijke  positie  van  zelve  ge- 
geven. Onze  geïnstitueerde  kerken  hebbeu  naar  plicht  en  roeping 
haar  l)ezitsreclit  op  het  kerkelijk  goed  gehandhaafl,  zoolang 
de  politie  of  synodaal  geweld  er  haar  niet  uit  drong.  Daarom 
hebben  ze  haar  eigendomsrecht  op  dit  goed  verweerd  bij  den 
burgerlijken  rechter ;  en  eerst  toen  die  rechter  haar  in  het 
ongelijk  stelde,  de  goederen  afgegeven.  Dit  heeft  veel  geld  ge- 
kost, maar  dit  offer  mofsi  om  des  beginsels  wille  gebracht. 
Toch  is  nergens  het  goed  afgestaan  dan  onder  protest,  en  zullen 
we  ook  in  de  toekomst  bij  gewij/.igdo  jurisprudentie  onze  rech- 
ten  verder  Imndhaven. 

Immers  men  boude  wel  in  liet  oog  dat  een  rechterlijk  vonnis 
wel    in    rechten    bindt,   maar  dat,  zo>  het   v.)nnis    u  al   in   het 


co  BÜRGEKBECHTELIJKE    GEVOLGEN    DER    DOLEANTIE. 

ongelijk  stelt,  daaruit  nog  volstrekt  niet  blijkt,  dal  f/e  07igelijk 
hebt.  Vooral  in  zulk  een  geschil  wordt  een  rechterlijke  uit- 
spraak geheel  beheerscht  door  de  tijdelijk  heerschende  juris- 
prudentie, en  die  jurisprudentie  wisselt  met  elke  eeuw.  Ook 
al  laat  men  de  vraag  buiten  bespreking,  of  dè  rechter,  uit 
zucht  om  de  orde  te  handhaven,  niet  vaak  zijne  rechterlijke  roe- 
ping uit  het  oog  verloor,  en  soms  ook  wel  onbewust  door 
persoonlijke  synodale  sympathiën  in  zijn  oordeel  bevangen  wierd, 
is  zulk  een  rechterlijk  vonnis  nog  in  het  minst  geen  bewijs 
dat  ge  voor  God  met  uw  pretentie  niet  recht  staat,  maar 
alleen  dat  God  u  den  eisch  oplegt,  om  o/j  dit  oogenhlik  voor 
die  uitspraak  het  hoofd  te  buigen. 

Daar  intusschen,  bij  deze  weigering  van  de  Overheid,  om 
ons  als  continuatie  van  het  oude  instituut  te  erkennen,  en  na 
deze  rechterlijke  verklaring,  die  ons  het  recht  op  de  goederen 
ontzeide,  onze  kerken  toch  gebouwen  noodig  hadden  en  gelden 
moeten  beheeren,  schoot  er  toen  niets  anders  over  dan  een 
soort  hnlpvereeniging  voor  de  financiën  op  te  richten;  en  dit  is, 
naar  het  voorbeeld  der  oude  Christenen  onder  de  hoogheid 
van  de  Romeinsche  keizers,  dan  ook  in  de  //kei'kelijke  kassen" 
geschied.  //Kassen"  waarop  men  allerlei  critiek  kan  oefenen, 
en  die  zeer  zeker  aan  rechtmatige  critiek  blootstaan,  maar 
die,  tenzij  wij  ons  beginsel  willen  j^rijsgeven,  het  eenig  red-  en 
hulpmiddel  zijn,  om,  naar  eisch  van  het  Woord,  ook  ons 
financieel  beheer  //eerlijk  en  met  orde  te  laten  geschieden." 


IV 


DE    VEREENIGING. 


Mag  nu  deze  schets  van  de  kerkrcc/itelijke,  staalsrec/iteiijke 
en  burgen-echtelijke  gevolgen,  die  uit  de  twee  reformatorische 
actiën  (eenerzijds  door  Separatie  en  anderzijds  door  Doleantie) 
rechtstreeks  voortvloeien,  aan  de  eiï^chen  van  eeu  bondig  be- 
toog beantwoorden,  dan  moet  uit  deze  beiderzijd-^  aanwezige 
gevolgen  zelven  nog  een  laatste  gevolgtrekking  afgeleid,  die  voor 
de    beide    reeksen    van    aldus  bestaande    geïnstitueerde   kerken 


rAffEENIGINO    OF    /T^ftEENIGING  ?  61 

saam  geldt,  do  plicht  namolijk  der  vereeulyiiKj  in  gemeenschap- 
pelijke Classicale  en  Synodale  vergaderin<^en. 

Veroorlove  men  mij  daarom  ook  dit  laatste  punt  kortelijk 
toe  te  lichten. 

Ik  spreek  in  dit  opstel  van  vereenUjing,  niet  van  hereeniging, 
en  wil  met  een  enkel  woord  ook  aan  den  strijd  over  deze 
beide  wijzen  van  uitdrukking  voor  goed  een  einde  maken. 

Zoo  dikwijls  er  sprake  is  van  het  tot  elkaar  brengen  van 
twee  reeksen  geïnstitueerde  kerken,  waarvan  de  eene  reeks 
pas  sinds  1834  ontstond,  en  de  andere  reeks  de  continuatie 
is  van  de  oudtijds  geïnstitueerde  kerken,  mag  er  niet  gesproken 
worden  van  Jiereenignnj,  maar  is  vereenigiug  de  eenig  juiste 
term.  Immers  herèenigen  kan  men  alleen,  wat  vroeger  één 
was;  en  overmits  nu  deze  beide  reeksen  geïnstitueerde  kerken 
als  zoodanig  nooit  één  geweest  zijn,  eu  niet  konden  zijn, 
omdat  de  eene  reeks  pas  later  ontstond,  zou  er  niet  anders 
kunnen  plaats  hebben  dan  vereenigiug. 

Hereenmm"  zou  wat  de  geïnstitueerde  kerken  aangaat  alleen 
kunnen  plaats  hebben  tusschen  de  oude  geïnstitueerde  kerken 
en  de  personen,  die  door  Separatie  van  haar  zijn  gescheiden. 
Overmits  echter  verreweg  het  grooter  aantal  leden  van  de 
Christelijke  Gereformeerde  kerken  eerst  in  die  nieuwe  kerken 
den  toegang  tot  het  heilig  Avondmaal  ontvingen,  en  zij  dus 
nooit  niemh)  a  cotnplefa,  d.  i.  volle  leden  van  de  oude  geïnstitueerde 
kerken  geweest  zijn,  zou  hereeniging  door  persoonlijken  terug- 
keer naar  het  eerst  verlaten  instituut  slechts  voor  zeer  enkelen, 
meest  zeer  ouden  van  dagen,  denkbaar  zijn.  En  ook  dan  nog 
zou  dit  nooit  een  onderwerp  van  onderhandeling  tusschen  de 
beide  reeksen  van  kerken  kunnen  uitmaken,  overmits  niet  de 
geïnstitueerde  Christelijke  Gereformeerde  kerken,  maar  alleen 
de  personen  harer  leden  hierover  zouden  te  beslissen  hebben. 
T?nmers  wat  wel  eens  door  een  doctriniiir  theoreticus  beweerd 
is,  dat  de  Christelijke  Gereformeerde  kerken  in  die  steden  en 
dorpen,  waar  het  oude  instituut  thans  tot  reformatie  kwam, 
verplicht  zouden  zijn,  om  zich  te  ontbinden,  opdat  al  hare 
leden  zich  weer  konden  aansluiten  aan  het  oude  instituut,  is 
een  eisch,  dien  men  voor  de  rechtbank  van  het  Gereformeerde 
kerkrecht    nooit    /.al    kunnen    staande  houden.      Il'el   zoo  men 


62  rA'AEENlGING    OF    ^£«EENIGING  ? 

zich  op  het  lioomsche  standpunt  phiatst,  en  alzoo  zijn  eigen 
instituut  voor  het  eenig  bestaanbare  aanziet,  en  dit  identifi- 
ceert met  de  absolute  kerke  Christi.  Maar  niel  zoo  men  uit  kracht 
van  het  Gereformeerde  beginsel  erkent,  dat  de  kerke  Christi 
zich  in  het  zichtbare  openbaren  kan  in  onderscheidene  instituten. 

Voor  zooverre  er  dus,  door  wien  ook,  met  opziclit  tot  de 
beide  reeksen  geïnstitueerde  phiatselijke  kerken  ooit  van  „her- 
eeniging'^'    gesproken   is,    was  dit  een  fout  in  de  terminologie. 

Wel  moet  daarentegen  van  //Aez-eeniging''  en  niet  van  i/Ver- 
eeniging/'  gesproken  worden,  zoo  men  het  oog  heeft  niet  op 
de  aanhoorigheid  der  leden  tot  ééne  der  beide  geïnstitueerde 
kerken  in  eenzelfde  stad  of  dorp,  maar  op  onzer  aller  aanhoo- 
righeid tot  de  historische  Gereformeerde  kerk  onzer  vaderen, 
gelijk  die  vanouds  hier  te  lande  in  allerlei  instituten  openbaar 
werd.  Dan  toch  spreekt  men  niet  formeel  van  de  te  A.  of 
B.  oudtijds  geïnstitueerde  plaatselijke  kerk,  maar  van  het  col- 
lectieve begrip  dier  historische  kerk  of  gezindheid,  die  over 
heel  ons  land  verspreid  was.  En  zóó  nu  bedoeld,  staat  het 
vast,  dat  beide  reeksen  van  kerken  uit  den  wortel  dier  ééne 
historische  kerk  zijn,  en  dat  we  deswege,  weer  tot  kerkelijke 
eenheid  komende,  niet  tot  vreemden  naderen,  maar  tot  zonen 
van  dezelfde  historische  kerk,  waaruit  we  zelven  gesproten 
zijn.  Dan  zijn  we  geen  vreemden  voor  elkander,  maar  van 
eenzelfde  familie,  uit  eenzelfde  geslacht,  met  eenzelfde  ver- 
leden, en  uit  éénen  bloede  gesproten.  En  daarom  zou  het,  in 
dien  zin  genomen,  zeer  stellig  hereeniging  zijn. 

Daarvan  echter  handelt  dit  opstel  niet.  Gelijk  ik,  misschien 
tot  verraoeiens  toe  herhaalde,  laat  ik  die  geestelijke  zijde  der 
quaestie  thans  met  opzet  rusten,  en  bepaal  mij  uitsluitend  tot 
het  verband  in  rechten.  Deswege  komt  hier  dan  ook  alleen  de 
Vereenigiug  ter  sprake,  d.  w:  z.  de  vereeniging  dier  beide  reeksen 
van  geïnstitueerde  kerken,  die  thans  door  Separatie  en  Doleantie 
ontstaan  zijn,  tot  één  kerkelijk  geheel  in  gemeenschappelijke 
classicale  en  synodale  vergaderingen.  En  die  vereeniging  nu 
staat  niet  aan  iemands  believen,  maar  is  eenvoudig  eisch  van  het 
Gereformeerde  kerkrecht.  Dat  het  gescheiden  kerkelijk  leven,  zoo 
dikwijls  voor  deze  gescheidenheid  geen  wettige  oorzaak  aanwezig 
is,    zonde    voor    God,  vergrijp  tegen  de  catholiciteit  der  kerk, 


Kerk  RECHTELIJKE    GEnOUDENHEID    TOT    VEREENIGING.  63 

beleediging  van  de  gemeenschap  der  heiligen,  en  voor  Gods 
Woord  onverantwoordelijk  is,  beaam  ik  wel  ten  volle; 
maar  ook  daarover  spreek  ik  thans  niet.  Geheel  de  geeste- 
lijke zijde  van  het  vraagstuk  laat  ik  thans  rusten.  Ik 
neem  de  zaak  ditmaal  alleen  kerkrechtelijk .  En  uit  dat  oog- 
punt nu  de  zaak  bezien,  leid  ik  mijn  bewijs  af  uit  het  be- 
ginsel, uit  de  historie  en  uit  den  concreten  vorm  van  ons 
Gereformeei'd  kerkrecht.  Uit  hef  heginsel,  want  waar  ons  Ge- 
reformeerd kerkrecht,  om  de  klip  van  Romes  absolutisme  te 
ontzeilen,  het  kerkelijk  instituut  alleen  plaatselijk  huldigt,  en 
dit  j)laatselijk  uit  de  wilsdaad  der  belijders  laat  opkomen, 
moest  (zou  niet  de  saamhoorigheid  van  de  deelen  van  het  lichaam 
van  Christus  worden  prijsgegeven)  hieraan  wel  //rigoureus- 
lijk",  als  tegenwicht,  de  stellige  verplichting  voor  a//i9  geïnsti- 
tueerde kerken  verbonden  worden,  om  kei'kelijk  met  elkander 
in  verband  te  treden  op  classicale  en  synodale  vergaderingen. 
Een  verband  dat  formeel  wel  slechts  contractueel  tot  stand  komt, 
maar  daarom  volstrekt  niet  aan  uw  wilkeur  of  goedvinden  is  over- 
gelaten. Ge  moogt  niet  als  kerk  op  u  zelve  blijven  bestaan.  Ge  moet 
in  verband  treden.  En  dan  alleen  verkeert  ge  in  de  onmoge- 
lijkheid dit  te  doen,  zoo  of  de  overige  kerken  u  afwijzen,  of 
haar  wijze  van  bestaan  in  belijdenis,  eeredienst  of  regeerings- 
vorm  u  dit  belet.  In  de  tweede  plaats  leid  ik  dezen  plicht 
tot  hereeniging  af  uit  de  historie,  in  zooverre  alle  Gereformeerde 
kerken  '\x\  alle  landen  steeds  deze  vereeniging  gezocht  hebben, 
zooveel  mogelijk  zelfs  met  de  geïnstitueerde  kerken  van  alle 
landen.  Juist  daarom  heet  het  stelsel  van  kerkrecht,  dat  onze 
vaderen  invoerden,  het  synodale.  En  eindelijk  volgt  deze  ver- 
plichting tot  vereeniging  m.  i.  rechtstreeks  uit  de  concrete 
hcpalnujeu  van  de  kerkenordening  .van  16H>.  Dit  is  onbetwist- 
baar voor  de  Doleerende  kerken,  die  niet  door  vrije  keuze  deze 
kerkenordening  weer  hebben  ingevoerd,  maar,  in  de  continuatie 
van  het  oude  instituut,  nog  steeds  onder  de  heerschappij 
van  deze  nimmer  afgeschafte  en  dus  nog  altoos  geldende 
kerkenordening  leven.  Lijdt  het  nu  geen  tegenspraak,  dat  de 
kerkenordening  van  Dordrecht  classicale  en  synodale  vergade- 
ringen instelt,  en  eischt  dat  op  deze  classicale  en  synodale  verga- 
deringen alle  geïnstitueerde  kerken  van  Gereformeerde  belijdenis 


64  KEKK  RECHTELIJK  E    GEHOUDENHEID    TOT    VEREENIGING. 

saiïm  verschijnen  zullen,  dan  volgt  hieruit,  naar  strikt  recht,  dat 
onze  classicale  en  synodale  vergaderingen  niet  zijn  wat  ze  wezen 
moeten,  zoolang  er  nog  300  a  400  geïnstitueerde  Gereformeerde 
kerken,  die  één  met  ons  in  de  belijdenis  staan,  niet  bij  zijn  en 
afzonderlijk  saamkomen.  Uit  dien  hoofde  houden  de  Doleerende 
kerken  dan  ook  staande,  dat  haar  classicale  en  synodale  ver- 
gaderingen nog  slechts  een  voorloopuj  karakter  dragen,  en  dat 
de  zedelijke  autoriteit,  waarover  zulke  vergaderingen  beschik- 
ken moeten,  dan  eerst  aanwezig  zal  zijn,  zoo  alle  kerken  van 
Gereformeerde  belijdenis  weer  saamkomen  op  eenzelfde  Synodale 
samenkomst. 

En  wel  staat  liet  met  de  Christelijke  Gereformeerde  kerken 
eenigszins  anders,  maar  toch  ook  zij  kunnen  dien  eisch  van 
ons  Gereformeerde  kerkrecht  niet  afwijzen,  gelijk  ze  dien  dan 
ook  feitelijk  hebben  erkend.  Het  staat  met  haar  anders.  In 
tweeërlei  opzicht.  Ten  eerste  in  zooverre  zij  als  nieuwe  for- 
matiën  niet  rechtens  onder  de  heerschappij  van  het  Synodaal 
besluit  van  1619  staan,  maar  door  eigen  keus  en  goedvinden 
den  regel  van  deze  kerkenordening  als  kerkdijken  levensregel 
aanvaard  hebben,  en  zich  dus  uitdrukkelijk  voorbehielden  daar- 
van slechts  zooveel  ieYiOwi^QH,  als  tiiet  in  contra  bejoaald  zou  worden. 
En  ten  andere  doordien  deze  kerken  door  het  reglement  van  1869 
Synodale  vergaderingen  in  het  leven  riepen,  die  een  eenigs- 
zins ander  karakter  droegen,  dan  de  Synodale  vergaderingen  in 
de  kerkenordening  van  1619  bedoeld.  Want  wel  is  ook  mij  het 
feit  bekend,  dat  op  hunne  Synode  ook  een  kerk  drie  vier  gere- 
presenteerd zijn,  die  niet  onder  het  reglement  van  1869  leven, 
maar  dit  neemt  niet  weg,  dat  de  rechtsfjehlujheid  der  genomen 
besluiten  dan  ook  voor  deze  kerken,  of  geheel  uit  het  regle- 
ment van  1869  voortvloeit,  voorzoover  ze  berusten,  of  wel 
van  nul  en  geeuer  waarde  is,  voor  zoover  ze  op  haar  excepti- 
oneel standpunt  nadruk  leggen.  Zuiver  in  rechten  geredeneerd 
kan  men  dus  niet  zeggen,  dat  de  Christelijke  Gereformeerde 
kerken  gehouden  zijn  [classicale  of  synodale  vereeniging  met  ons 
te  zoeken.  Wij  zijn  dat  in  rechten  wél;  zijniet.  Maar  al  ia  dit 
strikt  genomen  waar,  toch  mag  niet  voorbijgezien,  dat  bijna  al 
deze  kerken  feitelijk  niet  anders  bedoelen,  dan  om  de  Dordsche 


KEKKRECIITELIJKE    GEHOUDENHEID    TOT    VEREENIGING,  65 

kerkenordening  van  IGIÜ  uit  te  voeren.  Bijna  nooit  wordt  óf  in 
iiiiiir  kerkeraads-  óf  op  haar  classicale  en  synodale  vergaderin- 
gen een  beroep  op  het  reglement  van  1809  gedaan,  en  beroept 
men  zich  schier  altoos  op  de  kerkenordening  van  Dordt.  Slechts 
als  men  bij  den  burgerlijken  rechter  moet  komen,  wordt  het  bijna 
vergeten  reglement  van  1869,  op  vermaan  van  den  advocaat,  voor 
den  dag  gehaald.  Een  notoir  feit,  dat  niet  mag  voorbijgezien,  en 
waaruit  het  zich  zoo  gereedelijk  verklaart,  hoevele  dezer  kerken 
vnn  het  geschil  over  het  reglement  van  1869  eigenlijk  niets  be- 
grepen. Ze  leefden  er  wel  onder,  maar  ze  kenden  het  vaak  gan- 
schelijk  niet.  En  tot  op  voor  korte  jaren  zouden  m.  i.  stellig 
tweehonderd  dorpskerkeraden  in  groote  verlegenheid  hebben 
verkeerd,  zoo  ge  gevraagd  hadt,  dit  reglement  eens  te  mogen 
zien.  Men  bezat  er  zelfs  geen  exemplaar  van.  Rekent  men 
dus  niet  met  het  formeel  geldend  recht,  maar  met  hei  de  facto 
geldend  kerkrechtelijk  bewustzijn  in  deze  kerken,  dan  wilde 
men  niet  anders  dan  de  kerkenordening  van  1619  uitvoeren, 
en  wist  men  niet  beter  of  men  deed  dit.  Maar  dan  volgt  hier 
ook  uit,  dat  deze  kerken  of  voortaan  deze  bedoeling  zullen 
moeten  opgeven,  en  alsnu  opzettelijk  de  kerkenordening  van 
1619  op  zij  zouden  moeten  zetten,  of  wel,  dat  zij  ook  harerzijds 
gehouden  zijn,  naar  eisch  van  deze  kerkenordening,  dan  eerst  haar 
classicale  en  synodale  vergaderingen  als  in  moreelen  zin  rechts- 
geldig te  beschouwen,  zoo  ook  de  andere  reeks  geïnstitueerde 
kerken  van  Gereformeerde  belijdenis  met  haar  kerken  saam- 
vergadert. 

Nu  kan  hier  natuurlijk  geen  sprake  van  zijn  zoolang  de  groep 
kerken,  die  zij  geïnstitueerd  hebben,  door  een  afzonderlijken 
staatsrechtelij  ken  band  tot  één  corpus  of  lichaam  verbonden 
zijn.  Zoolang  dit  toch  het  geval  is,  kan  de  Synode  der  Chris- 
telijke Gereformeerde  kerk  nooit  anders  saamkomen  dan  als 
hoofd  van  dit  ééne  corpus  of  lichaam  ;  en  zou  er  voor  de  Dolee- 
rende  kerken,  zoo  ze  toch  op  deze  vergaderingen  verschenen, 
slechts  uit  voortvloeien,  dat  ze  óf  na  verloop  van  eenigen  tijd 
geoordeeld  werden  Ips'n  veljuti  et  factis  dit  reglement  van  1869 
aanvaard  te  hebben,  of  wel  dat  de  stemmen  harerzijds 
uitgebracht  niet  golden.  Het  is  bovendien  in  strijd  met 
het    grondbeginsel    van  het  Synodale  kerkrecht,  dat  de  verga- 


Üt)  HKT    KEOLEMENT    VAN     1869. 

derde  kerken  voor  een  deel  een  corpus  in  het  corpus  vormen. 
Alle  kerken,  die  saaiukonien,  moeten  saumkomen  als  gelijk  in 
rechten  en  gelijk  in  positie;  en  waar  dit  niet  het  geval  is,  is 
geen  Gereformeerde  Synode  saam.  De  gelijkheid  der  kerken 
is  voor  het  CTerelormeerde  kerkrecht  grond  begmsel  voor  het 
kerkverband.  Kwamen  wij  daarentegen  8ynodaal  met  de  Chris- 
telijk Gereformeerde  kerken  saam,  terwijl  zij  op  haar  Synode 
nog  staatsrechtelijke  qualiteit  bezaten,  en  wij  niet,  dan  zou 
onze  wederzijdsche  positie  een  geheel  onyeUjke  zijn;  en,  als  het 
er  op  aankwam,  zouden  alleen  zij  rechtsgeldig  kunnen  besluiten, 
terwijl  onze  stemmen  in  het  water  vielen. 

Doch  over  dit  punt  kan  de  strijd  dan  ook  als  uitgestreden 
worden  beschouwd.  Mij  althans  is  niemand  bekend,  die  ook 
nog  maar  een  poging  zou  willen  wagen,  om  het  regle- 
ment van  1 869  voor  de  vierschaar  van  de  beginselen,  de  historie 
en  het  ius  constitutum  van  1619  te  verdedigen.  En  stellen  we  nu, 
dat  dit  reglement  de  wereld  uitgaat,  en  we  te  staan  komen  voor 
geïnstitueerde  kerken  van  Gereformeerde  belijdenis,  die  met  ons 
één  in  liturgie  en  taal  zijn,  en,  zij  het  ook  uit  verschillenden 
hoofde,  toch  met  ons  de  kerkenordening  van  Dordrecht  als 
kerkelij  ken  levensregel  aanvaarden,  dan  hindert  het  niet,  of 
deze  plaatselijke  instituten  wel,  en  de  onze  awl  naar  de  wet 
van  1858  als  kerkgenootschappen  erkend  zijn.  Immers  zoo 
deze  kerken  dan  niet  anders  dan  plaatselijk  met  de  Overheid 
handelen  en  aan  die  Overheid  de  kerkenordening  van  Dordrecht 
als  haar  eenig  statuut  presenteeren,  dan  verphcht  deze  kerkorde- 
ning  haar  kerkrechtelyk,  en  laat  ze  van  staatswege  geheel  vrij,  om 
met  andere  geïnstitueerde  kerken  classicaal  en  synodaal  saam 
te  komen,  en  bindend  te  besluiten,  zonder  dat  de  conditie  ge- 
steld is,  dat  al  deze  andere  kerken  op  gelijken  voet  als  kerkge- 
nootschappen moeten  erkend  zijn. 

De  .  bedenking,  dat  vrij  lange  jaren  de  afgevaardigden  der 
Christelijke  Gereformeerde  kerken  op  deze  aldus  suamgekimien 
classicaie  en  synodale  vergaderingen  de  meerderheid  zouden 
hebben  en  ons  zouden  overstemmen,  mag  tegen  zoodanige 
vereeuigiug  uiet  ais  beletsel  aangevoerd ;  en  mist  m.  i.  ook  genoeg- 
zamen  grond.  Zoodi'a  men  toch  eenmaal  kerkelijk  saamleelt, 
verliest  metterdaad  de  zucht  om  wederzijds  een  eigen  positie  te 


HET    REGLEMENT    VAN     1860.  67 

handhaven  liaar  prikkd.  Kn  bovendien  spreekt  het  toch  van- 
zelf dat  men  ora  saam  te  komen  zich  eerst  contractueel  ver- 
binden moet,  en  dat  bij  zoodani<je  verbintenis  bepalingen  wor- 
den gemaakt,  waardoor  al  te  stuitend  misbruik  van  overmacht 
zou  worden  afgesneden.  Maar  ook  al  bleef  er  dan  nog  zeker 
het  een  en  ander  over,  waaromtrent  op  de  classicale  en  synodale 
vergaderingen  kon  gestreden  worden,  dan  nog  gaat  het  niet  aan, 
de  Christelijke  Gereformeerden  te  verdenken  van  den  boozen 
toeleir,  om  ons  tot  een  reageeren  tegen  ons  eigen  beginsel  te 
willen  dwingen.  Wat  over  en  weder  regel  moet  zijn,  is  geen 
^^rtwtronwen  maar  rc/tronwen.  En  men  kent  de  Christelijke 
üereformeerdo  kerken  in  haar  geheelheid  niet,  zoo  men  waant 
dat  er  uit  haar  eigen  midden,  geen  krachtig  verzet  van  de 
beteren  zou  uitgaan,  zoo  ooit  de  ridderlijke  broederzin  bij  en- 
kelen hunner  mocht  tekort  schieten. 

Aangenomen  dus  dat  eerlang  het  reglement  van  1860  weg- 
gaat, en  niet  door  eenig  ander  reglement,  in  wat  vorm  ook,  voor 
het  Genootschap,  genaamd//  de  Christelijke  Gereformeerde  kerk'', 
vervangen  wordt,  zoodat  we  te  doen  krijgen  met  plaatselijk  geïn- 
stitueerde kerken,  die  alleen  plaatselijk  in  verband  met  de  wet  van 
1858  erkend  zijn,  dan  is  hiermee  alle  struikelblok  weggenomen, 
dat  aan  de  vereeniging  van  deze  reeks  geïnstitueerde  kerken 
met  onze  reeks  van  geïnstitueerde  kerken,  classikaal  en  syno- 
daal, in  den  weg  zou  kunnen  staan.  Dan  gaan  niet  zij  in  ons, 
noch  wij  in  hen  op,  want  elke  geïnstitueerde  kerk  blijft  dan  eene 
in  zi(  h  zelve  afgeronde  eenheid,  zoowel  de  nieuw  geformeerde  als 
de  continuatie  van  de  oude  formatie;  waarbij  noch  de  eene  noch 
de  andere  het  nevens  haar  bestaande  instituut,  wat  het  stuk 
der  onderscheidene  formatie  betreft,  heeft  te  beoordeelen.  Beide 
zijn  geïnstitueerde  kerken  Christi  van  Gereformeerde  belijdenis. 
Als  zoodanig  ontmoeten  ze  elkaar  in  contractueel  kerkverband, 
naar  uitwijzen  van  de  beiderzijds  aanvaarde  Dordsche  kerken- 
ordening.  Geen  compromu  alzoo,  waarbij  men  beiderzijds  de 
spitse  der  beleden  beginselen  afstompt,  maar  een  ernstig 
onderzoek  naar  wat  het  Gereformeerde  kerkrecht  eischt,  en  een 
han  leien  in  overeenstemming  met  die  eisclien,  is  de  weg  om 
tot  het  kerkelijk  saamleven  te  geraken. 


68  GEEN    AEQUIVALENT. 


En  nu  zegge  men  niet,  wat  door  onnadenkendheid  zoo  vaak 
aan  de  pen  ontgleed,  dat  op  die  wijs  de  Christelijke  Gerefor' 
meerden  hun  reglement  hebben  terug  te  nemen,  en  dat  wij 
onzerzijds  niets  hebben  op  te  offeren. 

Want  vooreerst  zij  opgemerkt,  dat  de  Christelijke  Gerefor- 
meerden voor  hun  reformatie  reeds  een  verleden  van  een  halve 
eeuw  achter  zich  hebben;  en  krachtens  dit  verleden  een  gansche 
reeks  van  antecedenten  bezitten ;  terwijl  wij  in  dit  werk  der  refor- 
matie, als  pas  opget  redenen,  nog  geen  historie  achter  den  rug  hebben. 
Ware  onze  reformatie  even  oud,  dan  zou  er  ook  in  onze[histo- 
rie  ongetwijfeld  een  en  andere  band  gelegd  zyn,  die,  eer  men 
vereenigen  kon,  onzerzijds  moest  ontbonden.  Bij  gemis  aan  historie 
echter  kon  zulk  een  band  door  ons  nog  niet  gelegd  worden ; 
en  alleen  daarom  kan  er  bij  ons  geen  sprake  zijn,  om,  bij  wijze 
van  aequivalenf,  ook  onzerzijds  iets  uit  den  weg  te  ruimen.  Een 
jonge  en  een  oude  lirma  kunnen  daarin  nooit  gelijk  staan. 

Maar  bovendien,  heel  deze  voorstelling  wijzen  we  af.  Immers 
het  reglement  van  1869  te  laten  varen  is  niet  het  brengen 
van  een  offer;  maar  een  koord  van  uw  hals  wegnemen,  dat 
nu  niet  hindert,  omdat  er  nog  niemand  aan  trekt,  maar  dat, 
wierd  het  ooit  stevig  aangetrokken,  een  doodelijke  strop  zou 
blijken,  die  u  elke  vrije  ademhaling  ontnam. 

Mits  er  over  en  weder  niet  door  loven  en  bieden  onder- 
handeld, maar  naar  de  vaste  lijnen  van  het  Gereformeerde 
kerkrecht,  in  zijn  tegenstelling  én  met  het  Roomsche  én  met  het 
Sektarische  stelsel  gehandeld  worde,  zie  ik  dan  ook  niet  in,  hoe 
de  actie  beiderzijds,  mits  die  doorga,  anders  dan  op  een  zelfde 
punt,  in  één  vrije  Synodale  vergadering  zou  kunnen  uitloopen. 
Er  zijn  in  den  zin  op  blz.  41  aangeduid,  zeer  wel  maatregelen 
te  nemen,  om  te  voorkomen  dat,  waar  reeds  een  Gereformeerde 
kerkeraad  geïnstitueerd  is,  geen  tweede  kerkeraad  daarnaast 
optrede;  mits  men  slechts  niet  eische,  dat  de  leden  van  het 
oude  instituut  hun  plicht  tot  reformatie  van  dit  instituut  ver- 
loochenen zullen.  Op  de  vraag  wie  de  menibra  completa  (volle  le- 
den) van  onze  geïnstitueerde  kerken  zijn,  is,  naar  de  op  blz.  55 
aangegeven  beginselen  zeer  wel  te  antwoorden,  dat  dit  zijn 
alle  leden  van  het  oude  instituut,  die  betuigden  dat  zij  hun 
vroegere  stipulatiën  gestand  deden;  dat  dit  niet  zijn  die  leden 


GEEN    AEQUIVALENT. 


69 


van  het  oude  instituut,  die  feitelijk  hun  stipulatiën  voor  ver- 
vallen verklaarden  en  zich  gedragen  als  leden  van  een  nieuw 
opgericht  Synodaal  instituut;  en  dat  dit  nog  slechts  onbeslist  is 
van  die  leden  omtrent  wier  gezindheid  dusver  niets  bleek ;  mit^ 
sleclits  vaststa,  dat  de  kerkeraad  zijnerzijds  de  gemaakte  sti- 
pulatiën voor  de  leden  van  het  oude  instituut  niet  eigenmach- 
tig als  vervallen  beschouwe.  Van  de  opleiding  die  de  dienaren 
des  Woords  zullen  moeten  ontvangen  zwijg  ik,  naardien  dit 
voor  de  Christelijke  Gereformeerden  geen  quaestie  van  beginsel 
raakt,  daar  ze  immers  zich  bereid  verklaarden,  ook  de  niet 
kerkelijk  opgeleiden  kerkelijk  te  examineeren.  Deze  oneffenheid 
kan  dus  alleen  door  nader  onderzoek  der  historie  en  toetsing 
aan  de  beginselen  gladgestreken.  En  voor  zoover  ik  zien  kan, 
ligt  dan  ook  de  eenige  moeielijkheid  in  de  taaiheid,  waarmee 
een  eens  aangenomen  reglement,  gelijk  dat  van  1869,  zich  al- 
toos verweert,  eer  het  sterft. 

Die  taaiheid  ligt  niet  in  den  onwil  van  Christelijke  Gere- 
formeerde zijde,  om  het  los  te  laten,  maar  in  de  metterdaad 
reusachtige  inspanning,  die  het  zal  kosten,  om  er  van  af  te  komen. 
Vooral  onzerzijds  rekene  men  hiermede.  Het  is  toch  volstrekt 
niet  waar,  wat  vele  doleerenden  zich  inbeelden,  dat  een  een- 
voudig besluit  der  Synode,  om  dit  reglement  buiten  werking 
te  stellen,  hier  volstaan  kan.  Zoo  kan  alleen  spreken,  wie 
nooit  den  aard  en  het  wezen  van  een  groep  geïnstitueerde 
kerken  heeft  ingedacht.  Immers  het  geldt  hier  het  kerkver- 
band, en  dit  kerkverband  kan  op  Gereformeerd  terrein  niet 
anders  dan  door  medewerking  der  plaatselijke  kerken  gewijzigd 
worden.  Zoolang  dus  een  «enigszins  aanzienlijk  aantal  plaat- 
selijke kerken  nog  weigerachtig  blijft,  om  tot  deze  wijziging 
mede  te  werken,  zal  de  meerderheid  der  kerken  haar  niet 
kunnen  doorzetten,  zonder  het  gevaar  te  beloopen,  dat  deze 
onwillige  kerken  zich  op  grond  van  het  reglement  maintinee- 
ren,  en  met  dit  reglement  in  de  hand  tegenover  de  meerder- 
heid bij  de  Overheid  en  bij  den  rechter  optreden ;  een  geval 
waarin  het  te  voorzien  zou  zijn,  dat  en  Overheid  èn  rechter 
de  standhoudende  groeji  in  het  gelijk  zou  stellen.  Heel  deze 
zaak  moet  dus  van  Christelijke  Gereformeerde  zijde  uiterst  be- 
hoedzaam   worden  aangevat;    en  men  kan  er  niet  in  handelen 


70  SLOTWOOKD. 


eer  men  alom  in  zijn  eigen  kerken  de  overtuiging  gevestigd 
heeft,  dat  de  beginselen  van  onze  Gereformeerde  belijdenis,  en 
de  daarop  gegronde  kerkenordening  van  1G19,  deze  wijziging 
van  het  kerkverband  gebiedend  eischen.  Hiervoor  nu  is  in  de 
eerste  plaats  herstel  van  het  onderling  vertrouwen  noodig.  En 
het  is  daarom,  dat  ik  ook  in  dit  vlugschrift  een  poging  waagde, 
om  het  debat  uit  de  laagte  van  het  persoonlijk  gekibbel  en 
uit  het  tegenover  elkander  in  batterij  brengen  van  groote 
woorden  en  holle  phrasen,  zocht  op  te  heffen  tot  de  hoogte 
der  beginselen,  die  steeds  door  onze  Gereformeerde  kerken  èn 
tegenover  Uome  èn  tegenover  het  Sektarisme,  als  het  haar  van 
Godswege  toevertrouwde  pand,  verdedigd  en  heilig  gehouden 
zijn.  Vooral  de  persoonlijke  verdachtmaking  moet  onder  hen, 
die  broederen  in  Christus  zijn,  de  wereld  uit,  en  de  tijd  moet 
komen,  dat  niemand  het  meer  durft  bestaan  om  de  eerlijkheid 
van  elkanders  bedoelingen  in  twijfel  te  trekken.  Tegen  dat 
kwaad  moet  getoornd  zonder  sparen,  tot  het  den  giftigen  kop 
niet  meer  waagt  op  te  heffen.  Al  zulk  verdacht  maken  van 
elkanders  bedoeling  is  een  zich  aanmatigen  van  een  kennis, 
die  alleen  den  Kenner  der  harten  toekomt,  en  in  zijn  strek- 
king niet  uit  den  Heiligen  Geest,  maar  uit  den  Booze. 

En  toch  blijft  ons  zondig  hart  voor  het  gevaar  van  die  zonde 
blootstaan,  zoolang  men  over  en  weer  argumenteert  en  dispu- 
teert, zonder  zich  af  te  vragen,  op  wat  wijs  de  beslissing  van 
onze  geschillen  moet  gevonden  worden,  en  dus  wat  onze 
vaderen  noemden  de  fontes  solutionis  niet  heeft  opgezocht. 
Moge  de  poging,  die  ik  waagde  om  ten  deze  op  den  l)eteren 
weg  te  komen,  met  dien  nuchteren  zin  ontvangen  worden, 
waarraer-  ik  haar  aan  het  oordeel  der  wederzijdsche  broederen 
onderwerp.  Dan  toch  zal  men  van  tweeën  één  doen  :  of  heil- 
zame critiek  oefenen  om  aan  te  toonen,  dat  ik  hetzij  de  hegin- 
selen  van  ons  Gereformeerd  kerkrecht  verkeerd  gefornuileerd 
heb,  hetzij  de  daaruit  afgeleide  gevolgen  niet  logisch  trok;  óf 
wel,  acht  men  dat  ik  én  in  hoofdzaak  de  beginselen  vief 
onjuist  stelde  én  daaruit  hntiiUge  gevolgtrekkingen  afleidde, 
zoo  zal  men  beiderzijds  zich  in  de  door  mij  aangeduide  rich- 
ting opmaken  naar  het  voorgestelde  doel. 


Sl.OTWÜ(JRD.  71 


Want  wel  spreekt  het  vanzelf,  dat  alleen  Christus  onze 
Kuuiiig  ons  door  de  inwerking  van  den  Heiligen  Geest  saam  kan 
brengen;  en  daarum  moet  elke  vereeniging  op  kerkelijk  gebied 
een  c nicht  der  (jcljcduii  zijn.  Maar  wie  het  bidden  verstaat, 
gelijk  Gereformeerde  Christenen  dat  begrijpen,  diens  smeeking 
zal  opgaan,  niet  alleen  om  de  inwerking  van  den  Heiligen  Ceest 
op  het  (jciitoed,  raaar  even  beslist  om  het  licht  van  den  Heiligen 
Geest  in  on;s  denkcii,.  En  overmits  nu  alle  goed  gebed  onder- 
stelt, dat  men  ook  de  hand  aan  den  ploeg  sla,  en  geen  be- 
ginsel zelfs  van  liaiulcleu  in  zake  de  geïnstitueerde  kerk  zouder 
eeti  uurded  den  verslaudn  bestaanbaar  is,  kan  toch  het  (jebraiJc- 
iiuiketi  vaa  de  middelen.,  die  tot  een  juist  en  bondig  oordeel 
leiden  kunnen,  door  niemand  gewraakt  worden.  Een  dier  mid- 
delen nu  is,  buiten  tegenspraak,  de  kennisse  van  ons  Gerefor- 
meerd kerkrecht,  gelijk  dit,  ten  prijs  van  het  kostelijkst  bloed, 
op  de  Hiërarchie  van  Rome  en  het  Sektarisme  der  Weder- 
doopers  veroverd  is,  en  uit  dien  hoofde  durft  ook  deze  mijne 
bijdrage  tot  de  juister  kennisse  van  dit  kerkrecht  op  de  waar- 
deering der  broederen,  en  op  een  van  :iiijn  God  afgebeden 
zegen,  hopen. 


Amttlerdam,   IG  September  1890. 


INHOUDSOPGAVE. 


Blz. 

1.      DE    GEÏNSTITUEKRDl':    KKRK 1 — 21 

Inleiding 4 

liet  Rooniöche  stelsel G 

Hel  Gerelormeerde  stelsel 7 

Het  ontstaan  der  geïnstitueerde  kerk 9 

Het  voortbestaan  der  geïnstitueerde  kerk 13 

Het    naast    elkander    bestaan    van   meerdere    geïnstitueerde 

kerken  in  een  zelfde  plaats 17 

Het  uittreden  uit  een  geïnstitueerde  kerk 19 

II.      DE    REFORMATIE   MET   OPZICHT    TOT    DE    GEÏNSTITUEERDE    KERKEN.  .2  l—i'2 

Het  Roomsche  stelsel 22 

Het  Gereformeerde  stelsel 23 

Het  ambt  der  geloovigen 25 

Twee  wegen  van  reformatie 30 

Reformatie  door  Separatie  steeds  idtDunni  reiiiudiii»>, 31 

Het  Collegiale  standpunt 35 

Separatisme 38 

Een  tweede  instituut  naast  een  reeds  aanwezig  instituut 40 

III.  DE    KERKRECHTELIJKE,    STAATSRECHTELIJKE    EN    BURGERI'.ECllTEI.IJKE 
GEVOLGEN    DER    BEIDE    REFORMATIÈN 42—60 

Niet  in  geestelijken  zin  bedoelil 42 

De  gevolgen  der  Separatie 43 

Kerkreclitelijk 44 

Staatsrechtelijk  en  burgerrechtelijk 48 

De  gevolgen  der  Doleantie 51 

Kerkrechtelijk 51 

Staatsrechtelijk 58 

Durgerrechtelijk 59 

IV.  DE    VEREENIGING 60—71 

V  e  r  eeniging  of  h  e  r  eeniging  ? 60 

Kerkrechtelijke  gehoudenheid  tot  vereeniging 02 

Van  de  Nedenluil.sche  Geroformoerdo  kerken 63 

Van  de  Christelijke  Gereformeerde  kerken 64 

Het  reglement  van  1869 66 

Geen  aequivalent 68 

Slotwoord 70